Strijd om een Cranach

Wie is de rechtmatige eigenaar van het kostbare tweeluik ‘Adam en Eva’ van Cranach de Oude?Marei von Saher, erfgename van Goudstikker, heeft het schilderij gevorderd bij het Amerikaanse Norton Simon Museum.

In mei 1931 had een geruchtmakende veiling van kunst uit Rusland plaats bij veilinghuis Thomas Lepke in Berlijn. Het ging om de wereldberoemde collectie van het adellijk geslacht Stroganoff. Deze familie had in Sint-Petersburg een paleis bezeten dat vol hing met Italiaanse schilders, zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst, Russische iconen en allerhande antiek en kunstobjecten. De Sovjetregering had de collectie in beslag genomen en bood alles rechtstreeks in Berlijn aan. „Het is kennelijk de eerste keer dat het complete interieur van een particuliere woning openlijk in het buitenland wordt geveild”, schreef de London Times. Veel kranten maakten ook melding van de protesten van een erfgename, de weduwe Olga Stroganova. De veilingmeester waarschuwde aan het begin dat hij niet aansprakelijk was voor latere claims. Dat had kopers niet weerhouden.

De Sovjetregering hield uitverkoop van andermans eigendom. Er dreigde hongersnood, er was brandstoftekort en er waren harde valuta nodig. Russen die zich verzetten tegen confiscatie, werden doodgeschoten. Lenin beschouwde dit als een buitenkansje om ‘de vijand op de kop te slaan’.

Onder de kopers bij de veiling in Berlijn was de internationaal vermaarde Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Ook hij kocht geroofde Russische kunst, zoals velen in die tijd. „De sensatie van deze veiling was de aankoop van Goudstikker van twee portretten van Van Dyck, Nicholas Rockox en Balthazarina van Linick”, meldt de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 13 mei 1931. „Beide werken werden ingezet op 100.000 mark en ten slotte door Goudstikker verworven voor 660.000 mark.” Hij kocht nog drie andere schilderijen en twee bustes.

De NRC uit die tijd

maakt ook melding van een tweeluik van de zestiende-eeuwse schilder Lucas Cranach de Oude die Goudstikker voor 47.000 euro in handen kreeg. Deze Adam en Eva bestaat uit twee prachtige panelen. Een naakte Adam met zijn rechterhand in zijn donkere krulhaar en een naakte Eva met de linkerarm hangend aan een tak naast een slang.

Of dit werk ooit werkelijk van de familie Stroganoff was, is onduidelijk. Volgens een begeleidende beschrijving van de kunsthistoricus James Schmidt uit 1931 komt dit dyptiek uit Kiëv. De Sovjetcommissaris voor confiscatie van kerkelijke kunst zou deze doeken daar in een kerk hebben ‘ontdekt’ en in 1928 naar een museum hebben overgebracht waar het werd gerestaureerd.

De vraag of het tweeluik van Stroganoff was, is inmiddels van belang geworden. Het schilderstuk wordt nu geclaimd door Marei von Saher, de schoondochter en enig erfgename van Jacques Goudstikker. Zij heeft een verzoek tot teruggave gedaan bij de huidige bezitter van het werk, het Norton Simon Museum in Pasadena in Californië.

Vooralsnog weigert het museum om het stuk af te geven, omdat het van mening is dat het werk op geldige wijze is verkregen: gekocht van de rechtmatige erfgenaam. Of dat zo is, is de kernvraag van de onderhandelingen tussen het museum en de advocaten van Von Saher. De inzet is groot. De geschatte waarde van het tweeluik bedraagt twintig miljoen dollar.

Het tweeluik van Cranach behoorde tot de groep werken die in de oorlog uit de inboedel van de kunsthandel van Goudstikker voor twee miljoen gulden aan rijksmaarschalk Göring was verkocht. Onvrijwillig, want Jacques Goudstikker was toen al gevlucht, en tijdens de overtocht naar Engeland verongelukt. Na de oorlog keerde het tweeluik terug uit Duitsland en kwam het in bezit van de Nederlandse staat.

In 1965 werd het met succes geclaimd door George Stroganoff, zoon van voornoemde weduwe Olga. Inmiddels was hij Amerikaan en hij had het zelfs geschopt tot adjudant van president Franklin Roosevelt. Een prominent man dus.

Het was de eerste keer

dat gevraagd werd om teruggave van een door de Sovjetregering geroofd schilderij dat in Nederlands bezit was gekomen. „Een onrustbarend novum in de kunstwereld”, schreef de directeur van het Rijksmuseum.

George Stroganoff eiste vier stukken terug, waaronder een Rembrandt en de Cranach. Die stukken hadden aan zijn familie toebehoord, zei hij, en waren door de Sovjetstaat geroofd. Na een jaar onderhandelen kwam het dyptiek van Cranach in het bezit van Stroganoff. Om geen precedent te scheppen voor mogelijk volgende eisers van geroofde kunst, had de Nederlandse staat hem er 60.000 gulden voor laten betalen. Stroganoff verkocht het dyptiek vervolgens aan het Amerikaanse Norton Simon museum in Pasadena.

Wat precies de reden was voor de Nederlandse regering om de eisen van George Stroganoff in te willigen is nooit duidelijk geworden. In Frankrijk was hij niet als erfgenaam erkend.

De voorgeschiedenis is van belang voor het conflict tussen Von Saher en het Norton Simon Museum. Juridisch ligt de zaak gecompliceerd. Het tweeluik is zeker geroofd. Als het niet aan Stroganoff had toebehoord, was het kerkelijk eigendom. Volgens de partij Von Saher heeft de Amerikaanse regering de Russische nationalisaties van kunstbezit erkend. Dat betekent dat haar schoonvader Goudstikker in 1931 de rechtmatige eigenaar werd van het tweeluik.

Volgens de Nederlandse hoogleraar internationaal publiek recht, Nico Schrijver, voldoen de Russische nationalisaties niet aan de eisen die de Amerikaanse regering daar normaal aan stelt, namelijk dat er een redelijke schadevergoeding voor was gegeven en beroep mogelijk was.

Bovendien blijft de vraag waarom Von Saher wel recht op teruggave heeft en degenen die eerder van de kunst zijn beroofd niet. De reden daarvoor ligt in de Washington Principles van 1998. Overheden beloofden om geroofde of onder dwang verkochte kunst aan holocaustslachtoffers te restitueren.

De historica Janine Jager

heeft de handel in Russische genationaliseerde kunst in Nederland nauwkeurig beschreven in een artikel in de bundel Verkaufte Kunst van Waltraud Bayer uit 2001 en in het tijdschrift Spiegel Historiael. „Er was destijds weinig belangstelling voor dit onderwerp. Iedereen hield zich bezig met de roofkunst van de nazi’s. „Wat in alle onderzoek en discussie over dat onderwerp altijd buiten beschouwing is gebleven, is dat een deel van de opgeëiste en gerestitueerde kunstwerken bestond uit ‘revolutionaire kunstbuit’, die was onteigend en verkocht, ook aan later gedupeerde joodse handelaars als Goudstikker en aan diverse Nederlandse musea, die gretig op deze Russische veilingen afkwamen.” Dat was toch een verhaal waaraan men liever niet te veel herinnerd wilde worden, was haar indruk.

Wouter Veraart, wetenschappelijk medewerker rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, is specialist in rechtsherstel na de oorlog. Volgens hem moeten eerst de joodse claims op teruggave worden behandeld en daarna de andere. „De Nederlandse regering is in de eerste plaats verantwoording schuldig over wat de eigen burgers, de joden, is aangedaan”, zegt hij.

Uit de overeenkomst die de weduwe Goudstikker in 1952 met de overheid sloot, blijkt volgens Veraart dat zij kwijting verschafte van alle niet expliciet genoemde vorderingen tegen de Nederlandse overheid – die toen ook het nu zo omstreden dyptiek van Cranach nog in bezit had.

Die bepaling kan volgens Veraart mede de reden zijn geweest om het besluit om 202 schilderijen uit de Goudstikkercollectie aan Marie von Saher te geven, te baseren op ‘morele’ gronden – zoals de toenmalig staatssecretaris van Cultuur, Van der Laan vorig jaar zei. Die beslissing tot teruggave werd onder grote druk genomen op een manier die precedentwerking moest voorkomen.

Het Norton Simon museum kan die niet-juridische argumentatie van de Nederlandse staat gaan gebruiken om af te zien van een tweede teruggave – van een schilderstuk dat al minstens twee keer onvrijwillig is afgestaan.