Straks blijft er niemand meer over om te helpen

Dit weekeinde staat in Washington niet alleen in het teken van de affaire rond president Wolfowitz van de Wereldbank. Het IMF en de Wereldbank proberen ook zichzelf te herdefiniëren.

Vastgoed heeft de neiging achter de feiten aan te lopen. Zijn de tijden goed, dan komen de bouwplannen uit de kast. Maar als uiteindelijk jaren later de oplevering plaatsvindt, is de vraag al ingezakt.

Aan Pennsylvania Avenue staan twee nieuwe kolossen. Het kantoor van de Wereldbank staat er pas een paar jaar en het buurgebouw, de uitbreiding van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), is nagelnieuw. Maar op de verse vierkante meters in het hart van Washington huizen nu twee instellingen die inmiddels beide op zoek zijn naar een nieuwe rol.

Dat geldt allereerst voor het IMF, dat zijn kredieten sinds de Azië-crisis van tien jaar geleden langzaam heeft zien opdrogen. De Aziatische landen en Rusland, destijds de haarden van de crisis, hebben inmiddels financiële reserves opgebouwd die het kapitaal van het IMF doen verbleken. Het Fonds zelf kampt met een gebrek aan inkomsten omdat de renteontvangsten zijn afgenomen.

Komend weekeind wordt verder gewerkt aan de middellangetermijnstrategie die directeur Rodrigo de Rato heeft uitgestippeld: het aandeelhouderschap van het Fonds moet evenrediger worden verdeeld, zodat het een betere weerspiegeling is van de huidige verhoudingen in de wereldeconomie in plaats van de verhouding van het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen het IMF werd opgericht. Vorig jaar in Singapore kregen China, Zuid-Korea, Mexico en Turkije al een verhoging van hun quota, hun ‘aandeel’, in het Fonds. In een tweede stap moeten de verhoudingen verder worden rechtgetrokken.

Voorts wordt er gesproken over een verkoop van een deel van de goudreserves van het IMF, om er rentedragende effecten voor terug te kopen, die voor inkomsten zorgen. En het IMF stort zich meer op de taak van bewaker van de internationale economische en financiële stabiliteit, doet meer onderzoek en fungeert als forum voor de grote industrielanden en opkomende landen om de economische en financiële politiek te coördineren – wat hard nodig is in een globaliserende wereld waar landen steeds meer lotverbonden worden.

De Rato noemde ook armoedebestrijding, een concessie van het IMF toen de straten in Washington elk half jaar als er vergaderd werd nog volstonden met demonstrerende antiglobalisten. Maar armoedebestrijding brengt het Fonds in het vaarwater van de zusterorganisatie aan de overkant van de straat: de Wereldbank. Het uit elkaar houden van de doelstellingen van beide organisaties is dan ook een volgend onderwerp van gesprek.

De Wereldbank beleeft intussen haar eigen crisis. Los van de wankele positie van topman Paul Wolfowitz als gevolg van de salariëring van diens vriendin Shaha Riza, heeft ook de Wereldbank te maken met een veranderde wereld. Er zijn in andere regio’s nog wel landen die hulp behoeven in de vorm van leningen, maar de focus ligt in toenemende mate op het continent dat als enige achterblijft bij de vaart die de globalisering geeft: Afrika. Een ingewijde stelt ironisch dat de Wereldbank al bijna de Afrikaanse Ontwikkelingsbank genoemd mag worden, zij het dat die reeds bestaat. Armoedebestrijding en ontwikkeling zijn geaccepteerde doelen van de bank, die zestig jaar geleden haar eerste lening verstrekte aan Frankrijk. Maar het tij zit niet mee. Bijna twee jaar geleden beloofden de grote industrielanden van de G8 tijdens de top in het Britse Gleneagles om hun officiële ontwikkelingshulp in 2010 te hebben verdubbeld.

Deze week werd bekend dat de hulp in 2006, het eerste jaar na de belofte, met 5 procent is gedaald tot 103,9 miljard dollar (76,7 miljard euro). Ook zou de schuldkwijtschelding aan met name Afrikaanse landen die in Gleneagles plechtig overeen werd gekomen, niet ten koste gaan van de normale ontwikkelingsbudgetten, die deels via de Wereldbank lopen. Ook dat is niet gebeurd. De econoom Jeffrey Sachs, adviseur van de VN, rekende deze week uit dat als de 950 rijkste miljardairs van de Forbes-lijst jaarlijks 5 procent van hun vermogen zouden schenken, dit de totale officiële ontwikkelingshulp al zou overtreffen.

Sachs rekende dat niet bij toeval uit. De Wereldbank ziet hoe de officiële hulp hapert, terwijl de private ‘verticale’ organisaties opkomen die zich op een beperkte doelstelling richten. Exemplarisch is de Bill & Melinda Gates-stichting, die beschikt over een vermogen van tientallen miljarden dollars, dat extra is gegroeid toen de miljardair Warren Buffett vorig jaar zijn vermogen aan de stichting toevertrouwde. De coördinatie van officiële hulp en de inspanningen van de verticale organisaties vormen een nieuwe uitdaging voor de bank, waar Wolfowitz gisteren, te midden van de consternatie rond zijn positie, aandacht voor vroeg.

Intussen vragen waarnemers zich af waarom de Wereldbank nog leent aan China, terwijl dat land zelf weer Afrika van kredieten voorziet. Opkomende industrielanden tappen de kapitaalmarkt af of hebben zelf afdoende reserves. Zij hoeven, en willen, langzamerhand geen hulp meer, zodat de focus steeds meer ligt op de slinkende groep van allerarmste achterblijvers.

De Britse minister van Ontwikkelingssamenwerking Hillary Benn suggereerde onlangs dat de Bank een nieuwe taak zou kunnen krijgen bij het voorbereiden van kwetsbare landen op de gevolgen van de opwarming van de aarde. Dat is een idee. Maar als organisaties al zo ver zijn dat zij op zoek moeten naar een missie, dan krijgen de interieurinrichters op Pennsylvania Avenue het nog druk.