Slaapwandelen door het leven

In zijn nieuwe, korte roman beschrijft Ian McEwan de vooravond van de revolutionaire jaren zestig. Zijn de personages ditmaal meer dan de spreekbuis van de ideeën van McEwan?

Ian McEwan: On Chesil Beach. Cape, 242 blz. €19,–. Vertaald door Rein Verhoef als Aan Chesil Beach. De Harmonie, 155 blz. € 16,90

De Britse auteur Ian McEwan heeft een uitzonderlijk talent voor openingen. Soms plaatsen die de lezer al vanaf de eerste bladzijde op het puntje van zijn stoel – zoals bij de ballonpassage uit Enduring Love, of de opmerkelijke openingszin van zijn debuutroman The Cement Garden: ‘I did not kill my father, but I sometimes felt I had helped him on his way’. In andere verhalen pakt McEwan het subtieler, maar niet minder dwingend aan. Zijn nieuwe roman On Chesil Beach, eigenlijk meer een novelle, is van het laatste soort: ‘Ze waren jong, welopgevoed en allebei nog maagd op deze avond voor hun huwelijksnacht, en ze leefden in een tijd dat een gesprek over seksuele problemen ronduit onmogelijk was.’

Heel het drama dat zich zal ontvouwen, en dat twee levens voorgoed zal veranderen, ligt in deze zin besloten. Het is juli 1962, en we volgen de wederwaardigheden van Edward en Florence die, net getrouwd, hun huwelijksavond doorbrengen in een hotel aan Chesil Beach in Dorset. We treffen het stel aan tijdens een gespannen diner in de ‘honeymoon suite’ van hun hotel. De hotelbedienden blijven erbij staan terwijl Edward en Florence in stilte hun voorgerecht eten, meloen met een kers aan een prikkertje, en gaan pas weer weg nadat ze het hoofdgerecht hebben geserveerd, rosbief, dood gekookte groente en ‘naar blauw zwemende aardappels’. Het was ‘geen goed moment in de geschiedenis van de Britse cuisine’, zoals de alwetende verteller droogjes opmerkt.

Het stel zou liever een strandwandeling maken, zoals ze van te voren hadden afgesproken – met een ontkurkte fles wijn, over het pad dat vanuit hun kamer te zien is, langs planten ‘met gezwollen stelen, meer dan anderhalve meter hoog, gebogen onder het gewicht van de donkere, dik geaderde bladeren’ (in hun gespannen gemoedstoestand, door McEwan in detail beschreven, neemt alles een suggestieve kleur aan). Maar Florence en Edward voelen zich verplicht het diner uit te zitten, want ‘for now, the times held them’. Het zou kinderlijk zijn om weg te lopen van het diner, en kinderlijk was nog niet in de mode. Ze bevinden zich nog altijd in het tijdperk ‘toen jong zijn een sociale hindernis was, een teken van irrelevantie, een lichtelijk genante aandoening waarvoor het huwelijk het begin van een genezing was’.

Het lijkt hier wel alsof McEwan, wiens boeken veelvuldig zijn verfilmd, heeft besloten een roman-adaptatie te maken van het beroemde gedicht van Philip Larkin, ‘Annus Mirabilis’. De eerste strofen daarvan luiden:

Sexual intercourse began

In nineteen sixty-three

(which was rather late for me) –

Between the end of the Chatterley ban

And the Beatles’ first LP.

Up to then there’d only been

A sort of bargaining,

A wrangle for the ring,

A shame that started at sixteen

And spread to everything.

Terwijl het diner zich voortsleept, wijst alles erop dat het ook te laat zal zijn voor Edward en Florence, daar aan zee in juli 1962. Het werkelijke drama speelt zich in hun hoofden af, en door het alwetende vertelperspectief worden we beurtelings deelgenoot gemaakt van hun verwachtingen, verlangens en angsten – die op geen enkele manier met elkaar overeenstemmen. Dit geeft de situatie een enorm komisch potentieel, ware het niet dat de twee jonge hoofdpersonen zo ernstig in het leven staan dat je al snel begrijpt dat dit alleen maar kan uitmonden in een tragedie. ‘Al meer dan een jaar werd Edward gebiologeerd door het vooruitzicht dat op de avond van een bepaalde dag in juli het gevoeligste deel van hem zich, hoe kortstondig ook, in een natuurlijk gevormde holte binnen deze vrolijke, knappe, uitermate intelligente vrouw zou bevinden. Hoe dit moest zonder dat het absurd werd, of een teleurstelling, verontrustte hem.’

Paniek

Maar terwijl Edward zich vooral zorgen maakt over wat hij wel beschreven hoorde als ‘te vroeg arriveren’, moet Florence in stilte een stijgende paniek onderdrukken. Wat haar dwars zit, is schaamtevol en ‘onuitspreekbaar’ – ze kan het nauwelijks voor zichzelf formuleren, behalve als een ‘diepgeworteld afgrijzen, een hulpeloze walging even tastbaar als zeeziekte.’ Vooral het medische taalgebruik van het moderne ‘huwelijkshandboek’ dat ze heeft gekregen boezemt haar angst in, met zijn ‘slijmvlies’, ‘glans’ en, ergste woord van allemaal, ‘penetratie’.

Terwijl Florence er alles aan doet om dat gruwelijke lot zo lang mogelijk uit te stellen, realiseert ze zich ook, in groeiende horror, dat seks de prijs is die ze moet betalen voor haar huwelijk met Edward: ‘Ze had erkend dat het juist was om dit te doen, en dat dit haar werd aangedaan. [...] Het was allemaal haar schuld, en nu dacht ze echt dat ze ging overgeven’.

Edward, ondertussen, interpreteert ieder gebaar en onwillekeurige beweging als een teken van haar ‘ontegenzeggelijke passie’. Florence moet zichzelf eraan herinneren ‘hoeveel ze van deze man houdt’ terwijl ze probeert zijn tong uit haar mond te houden. En met deze cliffhanger van onuitgesproken gevoelens, misverstanden, klunzigheid en onbegrip worden we achtergelaten, aan het einde van hoofdstuk 1, aan de rand van het hemelbed.

On Chesil Beach heeft zo op het eerste gezicht weinig gemeen met het gros van McEwans eerdere boeken, waarin je op de eerste paar bladzijden toch minstens een moord, gewelddadige dood, bedreiging of peuterontvoering kunt verwachten. En dat is veelbelovend. McEwans schoktactieken, hoe effectief ook, hadden immers iets weg van een trucje, dat soms geen ander doel leek te hebben dan de lezer op het verkeerde been te zetten – het werkelijke verhaal bleek vaak om heel iets anders te draaien. Bovendien was McEwan niet altijd in staat om de belofte van zo’n dramatische opening in te lossen.

Dat laatste heeft misschien minder te maken met de opbouw van zijn plots dan met McEwans neiging zijn personages de spreekbuis te laten zijn van de ideeën die hij tegen elkaar wil afzetten. McEwans romans, hoe realistisch ook, draaien uiteindelijk vooral om tegenstellingen als wetenschap–religie, man–vrouw, ratio–gevoel. En dat wil hij nog wel eens al te schematisch uitwerken. Het resultaat is vaak niet vrij van melodrama, zoals in Atonement, of zelfs literair verantwoorde kitsch, zoals het larmoyante einde van The Child in Time.

Het is uitstekend geschreven melodrama, dat weer wel, dat op het juiste moment de juiste thema’s aansnijd: feminisme in de jaren zeventig, fundamentalisme in de jaren nul. Uiterst vakkundig, mateloos populair, maar zelden werkelijk briljant, is McEwan misschien wel het prototype van de literair correcte schrijver: zijn werk is intellectueel genoeg om respectabel te zijn, op een upper-middlebrow-manier, altijd leesbaar, stilistisch competent, maar roept nergens echt lastige vragen op, of een al te hoge drempel voor de lezers.

Euvels

Ook On Chesil Beach ontkomt niet helemaal aan deze euvels, al is de novelle subtieler en geloofwaardiger dan veel van McEwans voorgaande werken. Maar vanaf hoofdstuk 2, waarin hij Edward en Florence een verleden, familieachtergrond en individuele diepgang meegeeft, komen McEwans schematische neigingen weer aan het oppervlak.

Florence en Edward worden voorzien van alle juiste attributen en verwijzingen; hun milieu wordt geschetst alsof het een case study is. Zij een getalenteerde violiste uit een welgesteld gezin (moeder afstandelijk, vader een beetje vreemd), hij de ambitieuze historicus uit een aanzienlijk armer milieu (vader schoolmeester, moeder heeft hersenbeschadiging door ongeluk). En de oplettende lezer ziet de parallellen al vanaf een kilometer afstand aankomen. Florence: ‘Ze zei voortdurend bij zichzelf hoeveel ze van haar familie hield en hulde zich zo nog doeltreffender in zwijgen.’ Edward is ongeduldig en houdt wel van een vechtpartij, totdat hij erachter komt dat zijn intellectuele vrienden dat maar genant vinden.

Het zal ook niemand verbazen dat er uiteindelijk een bedekte passage komt over de reizen die Florence als kind alleen met haar vader ondernam: ‘haar vader bewoog zich door de schemerige krappe kajuit en kleedde zich uit, net als Edward nu [...] Meestal gaf ze tijdens de overtocht geregeld over en was ze voor haar vader als bemanning onbruikbaar, en dat moest nog hebben bijgedragen aan het gevoel van schaamte.’

McEwan wil aan de hand van Edward en Florence vooral een specifiek overgangstijdperk laten zien, met alle sociale en culturele verstikkingen van dien: ‘En wat stond hun in de weg? Hun persoonlijkheid en verleden, hun angst en onwetendheid en angst, schuchterheid, overgevoeligheid, gebrek aan zelfbewustheid of ervaring of gemak in de omgang, en ook nog het staartje van een godsdienstig verbod, hun Engelse achtergrond en klasse, en de geschiedenis zelf.’ En daarin is hij wel weer geslaagd. Al een korte tijd later is de wereld onherkenbaar veranderd. Het leven was ‘nooit beter dan in 1963’, zoals Larkin schreef, niet zonder ironie: ‘Then all at once the quarrel sank:/ Everyone felt the same,/ And every life became/ A brilliant breaking of the bank,/ A quite unlosable game’.

Die nieuwe tijd blijkt voorbijgevlogen, aan het eind van de roman. Zijn hele leven zou kunnen worden samengevat in minder dan een halve minuut, een halve bladzijde, peinst Edward aan het einde van de roman. Die halve bladzijde is ook precies wat McEwan eraan besteedt. Edward is na het drama met Florence slaapwandelend door het leven gegaan, ‘zonder ambities, onserieus, kinderloos, comfortabel’. Zo lijkt McEwan zich tenslotte vooral af te vragen wat al die nieuwe vrijheid uiteindelijk heeft opgeleverd.

Vanavond om 20.00 uur geeft Ian McEwan een lezing in Felix Meritis in Amsterdam. Zie www.slaa.nl. Reserveren: 020-6231311