Rome’s pact met de duivel in Afghanistan

Je kunt je de verontwaardiging goed voorstellen. Alsof het in Afghanistan al niet gevaarlijk genoeg was. Journalisten, hulpverleners en diplomaten, hun chauffeurs en tolken, westerlingen en Afghanen, allemaal lopen ze er grote risico’s. En na de uitruil van een gekidnapte Italiaanse journalist tegen vijf gevangen leden van de Talibaan mag je aannemen dat het gevaar alleen nog maar is toegenomen in het oorlogsgebied.

De Italiaanse en de Afghaanse regeringen werden er zwaar om bekritiseerd. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië spraken hun afkeuring uit. En de nieuwe Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, die toevallig in Kabul was, zei glashelder waar het op stond. „Als we een situatie creëren waarin de vrijheid van Talibaan-strijders gekocht kan worden door een journalist gevangen te nemen”, zei Maxime Verhagen, „dan zullen er binnenkort geen journalisten meer zijn.”

Minister Verhagen haalde er de wereldpers mee.

De Talibaan en andere kidnappers zijn dus gewaarschuwd – en trouwens ook alle Nederlanders in het gebied: Den Haag onderhandelt niet met terroristen. Een goed uitgangspunt, dat ook door andere landen vaak wordt beleden. Maar in de praktijk blijkt het, ook in het land van Arjan Erkel, wel eens moeilijk vol te houden. Daarom zijn ontvoeringen van oudsher zo effectief in zoveel delen van de wereld.

Het is pijnlijk duidelijk dat de uitruil een triomf was voor de Talibaan, en een vernedering voor de Italianen, voor de Afghaanse president Karzai en voor zijn westerse bondgenoten. Het jachtseizoen is nu geopend op de weinige ongewapende niet-Afghanen die moedig genoeg zijn (of stom genoeg) om buiten Kabul in het land te blijven werken, schreef een voormalige Amerikaanse diplomaat die in Afghanistan gewerkt heeft in The New York Times. Ze noemde de uitruil een ‘pact met de duivel’.

De Pakistaanse president Musharraf, die uit de VS, Europa en Afghanistan steeds te horen krijgt dat hij harder moet optreden tegen de Talibaan, zal er zijn eigen conclusies uit hebben getrokken. Kennelijk is het ook weer niet zó erg dat sommige Talibaan-figuren vrij rondlopen.

En welke conclusie zal de Afghaanse bevolking uit de ontknoping van het gijzelingsdrama hebben getrokken? President Karzai was bereid de Italianen te helpen met de vrijlating van de vijf Talibaan-gevangenen. Maar meteen daarna zei hij dat hij dit in geen enkel geval zou herhalen. En nadat aan het begin van de ontvoering de Afghaanse chauffeur van de Italiaanse journalist al voor diens ogen was vermoord, bleek zondag dat ook zijn Afghaanse tolk, die bij de uitruil niet was vrijgekomen, door zijn ontvoerders was onthoofd. Het bracht de Italiaanse regering nog verder in verlegenheid.

Maar wat had Prodi dan moeten doen? Een onzekere militaire reddingsactie op touw zetten? Principieel niet onderhandelen met de ontvoerders – en dus eigenlijk afwachten tot de journalist vermoord zou zijn? Politiek was dat een gevaarlijk optie, waar veel verzet tegen zou zijn in de publieke opinie, die toch al kritisch staat tegenover de Italiaanse militaire aanwezigheid in Afghanistan. Als de kwestie de val van zijn kabinet of het vertrek van de Italiaanse troepen uit Afghanistan had ingeluid, dan zouden de Talibaan nog een veel grotere prijs in de wacht hebben gesleept.

Ook in moreel opzicht is het geen uitgemaakte zaak dat onderhandelen met ontvoerders verwerpelijk is. In 1978 hield de toenmalige Italiaanse regering haar poot stijf toen oud-premier Aldo Moro was ontvoerd door de linkse Rode Brigades. Er werd niet onderhandeld, Moro werd vermoord, en de discussie of de principiële stellingname uiteindelijk het leven van Aldo Moro waard was, is nog altijd niet beslecht.

Gisteren verdedigde de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Massimo D’Alema, in het parlement het ‘pact met de duivel’ van zijn regering. We handelden op basis van één criterium, zei hij, de veiligheid van de gijzelaars had prioriteit (pas op het laatste moment zou zijn gebleken dat de tolk niet óók vrijkwam). Net zoals eerdere Italiaanse regeringen en andere landen vaak hebben gedaan, veelal onder zware druk van de publieke opinie.

De NAVO en de Verenigde Naties zouden moeten overwegen om gemeenschappelijke richtlijnen op te stellen hoe landen in een gijzelaarscrisis moeten handelen, zei D’Alema. NAVO-chef De Hoop Scheffer heeft al gezegd dat op de agenda te willen zetten. Maar van zo’n draaiboek valt hoogstens enig houvast te verwachten, niet een uitweg uit de pijnlijke dilemma’s waar ontvoerders regeringen in brengen.

D’Alema zei gisteren ook dat hij niet gelooft in een algemene regel om nooit met ontvoerders te onderhandelen. Er moet altijd ruimte zijn om te praten, stelde hij, als dat het leven van een gijzelaar kan redden. En als het erop aan komt zullen maar weinig politici met regeringsverantwoordelijkheid er anders over denken.

Niemand minder dan Silvio Berlusconi zei deze week dat zijn politieke bondgenoten de regering-Prodi in deze kwestie niet te hard moeten vallen. Algemeen wordt aangenomen dat Berlusconi’s eigen regering meer dan eens losgeld heeft betaald voor gijzelaars.

Hij liep er natuurlijk niet mee te koop, net zo min als hij dappere uitspraken deed dat je met ontvoerders niet onderhandelt. Hij delegeerde alles aan de secretaris van zijn kabinet, een handige regelaar die zijn chef niet lastigviel met wat hij uitspookte om gijzelaars vrij te krijgen. Fraai is het niet, maar goede opties zijn er niet in dit soort gijzelingszaken.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad.