Nieuw front van Al-Qaeda

Illusies in de Maghreb

[...] De nieuwe oorlog in de Maghreb heeft een lange en duistere geschiedenis.

In januari hebben 27 zwaarbewapende Tunesische mujahedeen in de buurt van Tunis slag geleverd met de veiligheidsdiensten voordat ze werden doodgeschoten. In Mauretanië hebben toeristen enkele kazernes aangevallen. In Libië treedt Gaddafi tevergeefs met harde hand op tegen Libische islamitische strijders. In Marokko zijn de gevangenissen scholen van de puriteinse islamitische stroming van het salafisme geworden. In Mali heeft men de hulp ingeroepen van de Toeareq om jacht op hen te maken, en deze ‘blauwe mensen’ krijgen logistieke hulp van de Amerikanen en de Algerijnse inlichtingendiensten.

De Maghreb veroveren en zich daarna verspreiden door gebruik te maken van illegalen en immigranten in het zuiden van Europa (Spanje, Frankrijk en Italië), dat als de zachte onderbuik van de ‘kruisvaarders’ wordt beschouwd. Dat is de strategie.

En alles begint, als altijd, in Algerije. De strategen van de heilige oorlog hebben een goed geheugen: hier is in de jaren negentig geëxperimenteerd met de grote leugenfabriek: het gebruik van de Koran als politiek instrument om de aanval te openen op de staat. Hiervandaan, met massa’s mensen die helemaal niets hebben, kan de heilige oorlog weer vaart krijgen. De Algerijnse president Bouteflika had de illusie dat economische groei het echte tegengif was voor het fundamentalisme.

In Marokko heeft de koning een streep gezeten onder de jaren van geweld van zijn vader en ook de vlag van modernisering gehesen. Tunesië, dat met ijzeren hand wordt bestuurd door een versteende maar ontwikkelde oligarchie, dacht immuun te zijn voor besmetting.

Velen hebben gedacht dat het zo wel zou gaan. Maar het fanatisme wint zielen onder de zonen van een ontwortelde middenklasse, maar ook onder het onderproletariaat van illegalen en kleine misdadigers [...]. Het fanatisme zwaait de vlaggen van Irak en Palestina en doet alsof ontwikkeling de eigentijdse versie van de verdoemenis is.

Het Algerijnse terrorisme, dat [...] zou zijn teruggeslagen tot een paar honderd diehards in de maquis aan de rand van de Sahara,[...] is ingrijpend veranderd: nieuwe technieken zoals de autobom, met zorg uitgekozen doelen, aanslagen op buitenlanders en communicatiemiddelen, en vooral een maniakale aandacht voor publiciteit: iedere hinderlaag wordt gefilmd en doorgespeeld naar duizenden mobiele telefoons. De hand van Al-Qaeda is duidelijk zichtbaar.[...]

(Afrikadeskundige Domenico Quirico in de Italiaanse krant La Stampa)

Gevaar Al-Qaeda is nu dichtbij

[...] Deze aanslagen hebben [...] een tweeledige betekenis. Enerzijds zijn ze – een maand voor de Algerijnse verkiezingen van 17 mei, waarvan geen politieke verandering van enige betekenis verwacht wordt – een belediging van en een uitdaging aan de Algerijnse machthebbers. Ze laten geen spaan heel van de fictie dat het beleid van ‘nationale verzoening’ geslaagd zou zijn, het beleid dat na het referendum van 2005 een streep had moeten zetten onder de burgeroorlog van de jaren negentig, die tot na de eeuwwisseling heeft voortgeduurd.

Anderzijds lijken ze te bevestigen dat Al-Qaeda nu in Algerije een tactiek toepast die deze organisatie al eerder heeft gehanteerd in Marokko: druk uitoefenen op de regeringen en een factor worden in de binnenlandse politiek van de landen van de Maghreb. En wel indirect, via bestaande gewapende groepen die nu fungeren als ‘franchisenemers’, en die op hun beurt profiteren van Al-Qaeda’s toegang tot de media en haar aanzien in een deel van de islamitische wereld.

Ten slotte herinneren de aanslagen in Algiers meer indirect Europa, en met name Frankrijk – dat al wordt bedreigd door de voormalige Algerijnse Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat (Salafistische Groep voor Prediking en Strijd, GSPC) – eraan dat het gevaar van Al-Qaeda heel dichtbij is. Dat de discipelen van Bin Laden zich vestigen in de Maghreb, en zelfs in de Sahel, heeft mede ten doel de terroristen uitvalsbases niet ver van Europa te verschaffen. De voormalige GSPC (die in 2006 fuseerde met Al-Qaeda – red.) lijkt trouwens te fungeren als tussenstation om een deel van de Sahel-bevolking te benaderen.

De Algerijnse regering en president Bouteflika zijn uiteraard niet verantwoordelijk voor de dynamiek van Al-Qaeda, die fanatieke tegenstander van iedere democratisering en modernisering van de Arabische landen. Maar het is wel zo dat de starheid tegenover de maatschappelijke problemen en de wanhoop van een deel van de jongeren, en de instelling van schijndemocratieën het islamitische geweld voorwendselen verschaffen, in Algerije evengoed als in de rest van de Arabische wereld.

(Hoofdredactioneel commentaar in de Franse krant Le Monde)

Dreiging tegen Zuid-Europa

[...] Met de creatie van de ‘Al-Qaeda-organisatie in de Islamitische Maghreb’ vestigt de Internationale van de jihad zich in Noord-Afrika, een zwakke schakel in de strijd tegen het terrorisme.

De suggestie dat de band met Al-Qaeda van louter ideologische en symbolische aard is, en de stellige verklaring dat de coördinatie van de operaties tussen de nationale terroristische organisaties nog maar in een pril stadium verkeert, dienen slechts om ons zand in de ogen te strooien.

Nu de fundamentalisten beschikken over mobiele vrijplaatsen en opleidingskampen diep in de Sahel, vinden zij in alle landen van de Maghreb een door frustratie vruchtbare bodem voor het werven van rekruten. De aarzelende politieke ontspanning in Marokko, de gecompliceerde opvolgingskwestie in Tunesië en de stagnatie van het Algerijnse bestel bieden zeer uiteenlopende uitgangspunten voor een poging tot algehele destabilisatie, die profiteert van de ervaring en de ‘know-how’ die de terroristen in Irak hebben opgedaan, waarbij de oudgedienden van de Algerijnse GSPC als voormannen optreden.

Dit nieuwe front in de Maghreb gaat ons rechtstreeks aan. Gezien de reikwijdte van de migratiestromen is het niet overdreven te stellen dat deze dreiging gericht is tegen Zuid-Europa, met name Frankrijk. Luister maar naar de nummer twee van Al-Qaeda, Ayman al-Zawahiri, die op 31 december vorig jaar Frankrijk nog uitdrukkelijk een doelwit van de jihad heeft genoemd.

Het terrorisme in de Maghreb neemt nieuwe vormen aan. Algerije, Marokko en Tunesië, die hierdoor duidelijk overvallen zijn, hebben alle hulp nodig die ze krijgen kunnen om deze ontwikkeling het hoofd te bieden en bij te dragen tot onze veiligheid.

(Hoofdredactioneel commentaar van Pierre Rousselin in de Franse krant Le Figaro)

Hopen op afkeer van Al-Qaeda

De bommen die in Algiers de afgelopen week de gevel van het gebouw van de minister-president afsloegen en die dertig doden veroorzaakten, suggereren dat er een wederopstanding plaatsvindt van de militante islamitische Algerijnse strijders in de vorm van een nieuwe officiële arm van Al-Qaeda in de Maghreb. De actie tegen zelfmoordterroristen in Marokko roept vergelijkbare vragen op. Maar dit waren waarschijnlijk een ander soort terroristen. We kunnen nog niet op voorhand aannemen dat Al-Qaeda een effectief front heeft gevormd in Noord-Afrika, ook al zou Al-Qaeda dit waarschijnlijk wel graag willen.

Het is de eerste keer in jaren dat de Algerijnse hoofdstad op deze schaal is aangevallen. Eerder dit jaar waren er terroristische schietpartijen in Tunesië. In Marokko stierven vier zelfmoordterroristen deze week in Casablanca, toen zij door veiligheidstroepen in het nauw werden gedreven. Amerika maakt zich er zorgen over dat de enorme ruimte in de Sahara, waar geen regering greep op lijkt te hebben, een schuilplaats biedt aan jihadisten. [...]

Volgens de minister van Voorlichting in Marokko zouden de zelfmoordterroristen in Casablanca geen externe banden hebben: „Het lijkt een amateuristische groep, de explosieven die ze hadden waren zelfgemaakt.”

Misschien is dat zo. Maar de schaal waarop Al-Qaeda opereert in de Maghreb is nog onzeker. En hoewel de ideologie van de jihad tegen het Westen bij sommigen aanslaat, heeft het bommenleggen van Al-Qaeda bij Arabische civiele doelen – bijvoorbeeld in Jordanië in 2005 – een algemene afkeer teweeggebracht. Het is te hopen dat het ditmaal ook zo gaat in de Maghreb.

(Nieuwsanalyse in The Economist)