‘Men wilde mij afmaken’

De Duitse Nobelprijswinnaar Günter Grass werd vorig jaar onderwerp van een fel debat, toen hij opbiechtte kortstondig te hebben gediend bij de Waffen SS. In een vraaggesprek blikt hij terug op de commotie. ‘Een enkele keer kwam de gedachte bij me op: weg uit dit land, wegwezen.’

Op de houten vloer in het atelier liggen, zorgvuldig gerangschikt, de originele illustraties voor zijn nieuwste boek. Witte vellen met zwarte tekeningen omzoomd door flarden dichtregels. Litho’s van artisjokken, veren, paddenstoelen, bomen. Er is ook een zelfportret bij. Op zijn hoofd draagt Günter Grass (79) een puntmuts. De winnaar van de Nobelprijs voor literatuur heeft zichzelf vermomd als clown. De titel van de gedichtenbundel is Dummer August.

In augustus 2006 werd Günter Grass het middelpunt van een Duitse rel die vanuit de hele wereld werd gadegeslagen. In de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog, zo maakte Grass zelf bekend, had hij als 17-jarige kortstondig gediend in de Waffen-SS. Zestig jaar had hij het pikante autobiografische detail verzwegen. Hij, die als geen ander Duitsland had gedwongen in de spiegel te kijken en het naziverleden onder ogen te zien. Honderden pagina’s had hij aan de oorlog gewijd, aan zijn eigen ervaringen ook, maar het pijnlijkste had hij niet verteld.

De ontboezeming stond in een autobiografisch boek over zijn jeugd, Beim Häuten der Zwiebel, dat nu in Nederland is verschenen als De rokken van de ui. Grote bekendheid kreeg het SS-dienstverband door een vraaggesprek dat hij aan de vooravond van de publicatie voerde met de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Dagenlang was Grass voorpaginanieuws. De schrijver werd stevig aangepakt. Zijn integriteit werd in twijfel getrokken. Sommigen deden de onthulling zelfs af als reclamestunt voor de autobiografie. Een enkeling schoot de auteur van Die Blechtrommel te hulp, maar kritiek had de overhand.

Het kwam hard aan. Aanvankelijk mengde Grass zich in het debat over zijn eigen persoon. Verdedigde zich in vraaggesprekken. Las voor uit eigen werk. In de loop van het najaar trok hij zich gedesillusioneerd uit de publiciteit terug. Schreef gedichten. Maakte tekeningen. Ergerde zich aan zijn critici. Aan de Duitse commentatoren die, dacht hij, een front tegen hem vormden en erop uit waren hem ten val te brengen. Critici die hem ‘monddood’ wilden maken.

Negen maanden na die opmerkelijke augustusmaand is Grass terug. Hij trad dit voorjaar op tijdens de Leipziger Buchmesse. Hij voert campagne voor de SPD-kandidaat voor het burgemeestersschap van Hamburg, Michael Naumann. En hij ontvangt weer journalisten, in zijn witte huis aan de rand van een gehucht in de buurt van Lübeck.

De vroege lente heeft het Noord-Duitse landschap al een zweem groen verleend, maar vlak voor Pasen is het karige winterbruin nog dominant. Grass’ atelier is gevestigd in een bijgebouw. In de deuropening verschijnt een kleine, vriendelijke, beetje fragiele man met trage bewegingen en snelle ogen. Onder de bekende snor prijkt de karakteristieke pijp. In de loop van het gesprek vult Grass het schemerige atelier onophoudelijk met blauwe rook.

De affaire zit hem nog steeds hoog, maar hij is strijdlustig. Vragen over de late ontboezeming gaat hij niet uit de weg, om vervolgens toch abrupt van onderwerp te veranderen. Hij heeft een boek geschreven, zegt hij, daar wil hij over praten. Een boek dat zoveel meer bevat dan die veelbesproken SS-episode.

Waarom ‘Dummer August’?

„Het was in augustus toen het media-onweer over me heen kwam. Ik was met mijn vrouw in Denemarken. Het was verschrikkelijk. Godzijdank had ik de kracht om te tekenen en te schrijven. Zo ontstonden gedichten die op de eerste plaats mijn antwoord zijn op de gebeurtenissen, maar die ook de toestand weerspiegelen waarin ik me bevond. Dummer August is Dummer August de clown, maar het is ook de maand augustus.”

U zag uzelf als clown?

„Ja, maar op de tekening draag ik ook een spitse, uit papier gedraaide hoed. Hij lijkt een beetje op de hoofddeksels die aangeklaagden tijdens de Inquisitie moesten dragen of tijdens de Culturele Revolutie in China. ”

Het papier van de hoed is krantenpapier?

„Gedraaid uit de krant van gisteren. Zo staat het in het gedicht.”

Vond u het terugblikkend ook ‘dumm’ dat u alsnog over de SS-tijd heeft verteld?

„Nee, absoluut niet. Ik heb niet alleen over mijn tijd bij de Waffen-SS geschreven. Mij hield voortdurend bezig wat ik als jongen verzuimd had: vragen te stellen. Toen een oom bij het uitbreken van de oorlog werd neergeschoten omdat hij bij de Poolse posterijen werkzaam was. Toen een leraar van school verdween. Toen een medescholier meer wist over gezonken Duitse oorlogsschepen tijdens de bezetting van Noorwegen. Toen in de Arbeitsdienst een Jehova’s Getuige, die geen geweer aanraakte, plotseling verdween. Deze verzuimde vragen hebben me veel meer belast dan die paar maanden bij de Waffen-SS. Ik vond de misdaden van de Waffen-SS, waar ik pas later over hoorde, beklemmend. Destijds wist ik er niets van. Voor mij was het een eliteonderdeel.”

Men heeft u niet verweten dat u in de slotfase van de oorlog door de SS werd gerekruteerd, maar wel dat u er zo lang over gezwegen heeft.

„Daarover heb ik het gedicht ‘Mein Makel’ geschreven, mijn blaam. Het heeft heel lang geduurd voordat ik een literaire vorm gevonden had. Het was nooit mijn bedoeling om op een podium te gaan staan en te zeggen: ik was bij de Waffen-SS. Het was immers ingebed in een hele geschiedenis. Het is bij schrijvers vaak zo dat de aanleiding voor een boek decennia oud is en het lang duurt voordat men erover schrijven kan. Veel schrijvers, die zich in het debat mengden, hebben dat bevestigd.”

En toch. Terwijl u zweeg over uw eigen verleden heeft u Duitsland decennialang gemaand zich intensiever met het nationaal-socialisme bezig te houden.

„Ik heb het nooit verzwegen. Toen de (rechts-radicale partij) NPD opdook, midden jaren zestig, heb ik een toespraak geschreven gericht aan een jonge NPD-kiezer. Ik heb hem toen voorgehouden hoe het mijn generatie vergaan was. Hoe ik als een idioot tot het laatst in de Endsieg geloofde, verblind door ideologie. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat ik tot het einde een gelovige was.”

Over de SS sprak u niet.

„Al die andere zaken zijn voor mij zwaarwegender dan die paar maanden bij de Waffen SS, waar ik zonder mijn toedoen terecht was gekomen. Men kan mij verwijten dat ik er nu pas mee voor de dag kom. Ik kan u daar alleen maar het antwoord op geven dat ik al gegeven heb.”

Grass is nog steeds ziedend op de Duitse media en in bijzonder op de Frankfurter Allgemeine. Het interview waar het allemaal mee begon ging vergezeld van een hoofdcommentaar, getiteld ‘De bekentenis’, waarin medeuitgever Frank Schirrmacher het lange stilzwijgen hekelde. Daarmee was de toon gezet, zegt Grass. De overige Duitse media, altijd op zoek naar een schandaal, volgden als een roedel wolven. „In de polemiek werd duidelijk dat er eindelijk een aanleiding was om met mij af te rekenen, omdat veel mensen het, uit politieke overwegingen, niet paste als ik me in debatten mengde. Men wilde mij monddood maken. Dat is niet gelukt. Ik heb meteen met mijn gedichten geantwoord.”

Heeft het u belast dat u jaren met dat geheim zat opgezadeld?

„Ja natuurlijk. Ik ben me er altijd van bewust geweest. En ik wist: op een dag moet je er melding van maken.”

Toch hebben de hevige reacties u teleurgesteld?

„Nee, niet de hevigheid, de gemeenheid. Het mij af willen maken, dat heeft me teleurgesteld. Maar ik dacht dat we over mijn boek zouden praten, daar is me meer aan gelegen.”

In Beim Häuten der Zwiebel behandelt Grass zijn jonge jaren. Van het uitbreken van de oorlog tot het moment waarop hij, begin dertig, als schrijver internationaal doorbreekt met Die Blechtrommel. Voor de reconstructie van zijn jeugd was Grass vrijwel volledig aangewezen op zijn geheugen. Op een klein fotoalbum na had hij geen hulpmiddelen. Hij had geen dagboek, zelfs geen notities. Uit zijn jonge jaren in Danzig (Gdansk) waren geen officiële documenten bewaard gebleven. En ook geen eigen werk.

Als kind verzamelde Grass kleine reproducties van beroemde kunstwerken. De kleurrijke plaatjes wakkerden zijn interesse in de kunsten aan. Later heeft hij de plaatjes uit de jaren dertig in een antiquariaat herontdekt. Uit een boekenkast in het atelier vist Grass een blauw album. Schilders uit de renaissance. „Tijdens het schrijfproces wordt de herinnering gestimuleerd”, zegt hij terwijl hij door de vergeelde pagina’s bladert. „Er komt steeds weer een nieuwe laag te voorschijn. Daarom heb ik de metafoor van de ui gekozen.”

U schrijft uitvoerig over de onbetrouwbaarheid van herinneringen. De herinnering is een ‘humeurige dame met migraine’. Het geheugen heeft de neiging trucjes met iemand uit te halen…

„…en om te vergoelijken. Men sorteert de dingen zo dat men er ook over vertellen kan.”

Hoe maakt men dan nog onderscheid tussen feit en fictie?

„Ik maak de lezer er met bijzinnen op attent als iets zich ook anders voorgedaan zou kunnen hebben dan ik het me herinner.’

Zoals de episode over uw ontmoeting met de huidige paus?

„Feit is dat ik in een kamp voor krijgsgevangen was met een knaap die Josef heette. We hebben gedobbeld om ons af te leiden van de honger. Ik kan me hem heel goed herinneren. Hij was zeer katholiek en had een zachte, maar mild overtuigende, ietwat fanatieke stem. En hij had plannen, zoals ik ook plannen had. Ik wilde een groot kunstenaar worden, hij wilde opklimmen in de hiërarchie van de kerk. Terwijl ik het boek schreef werd meneer Ratzinger paus. Ik las in de krant zijn levensloop en dacht: dat is je maat Josef. Daar heb ik een verhaal van gemaakt.”

Heeft hij inmiddels gereageerd?

„De Heilige Stoel heeft gezegd dat het een privékwestie van Ratzinger is.”

Daarmee blijft het verhaal in leven.

(Lacht). „Maar het is toch een mooi verhaal, niet waar?”

Wat was het belangrijkste motief om het boek te schrijven?

„Ik wilde er achter komen waarom een jonge vent van 12, 13 jaar al weet dat hij kunstenaar wil worden. Hij raakt verzeild in de nazitijd, in de oorlog, in de wederopbouw. Links en rechts verandert de wereld in puin, maar zijn doel blijft overeind. Hoe komt dat?

„Ik heb het geschreven omdat het voor mij noodzakelijk was het te schrijven, én ik heb het geschreven met wantrouwen ten opzichte van autobiografieën. In autobiografieën wordt vaak zonder enige vorm van twijfel geuit: het was zo, of zo. Ik wilde dat wantrouwen erin schrijven. Ook kon ik me voorstellen dat een verhaal over die jeugd interessant kon zijn voor volgende generaties.

,,Ik heb nog nooit zoveel brieven gekregen van lezers. Van jong en oud. De meeste brieven kwamen erop neer dat mensen naar aanleiding van het boek voor het eerst over hun oorlogservaringen hebben gesproken. Ik vind het geweldig als een boek bij de lezers de tongen losmaakt.”

Heeft de polemiek over uw persoon uw mening over Duitsland veranderd?

„Een enkele keer kwam de gedachte bij me op: weg uit dat land, wegwezen. Maar dat is slechts een aandrang. Ik weet dat ik aan de taal hang, en dat ik ook niet zou weten waar ik heen zou moeten.”

Men hoeft niet meteen te emigreren, men kan ook andere onderwerpen kiezen.

„Voor mij en voor de schrijvers van mijn generatie zijn de onderwerpen voorgeschreven. Daar kon je niet omheen. Ik ben zeer artistiek begonnen maar toen bleek dat de eigen ervaringen niet te omzeilen waren. Ik ben nu eenmaal gebonden aan de onderwerpen die voortvloeien uit mijn land en uit de geschiedenis van mijn land.”

Dat zijn in het geval van Duitsland zware onderwerpen. U wijdde uw schrijversbestaan aan een vreselijke geschiedenis die ook voor u met lijden verbonden is.

„En met verlies. Ik heb mijn Heimatstadt verloren. Ik weet waarom ik die verloren heb, omdat wij een oorlog begonnen zijn en verloren hebben. Maar ik had de ambitieuze wens en de obsessie om met de middelen van de literatuur dat wat verloren was weer te laten ontstaan. Literatuur biedt die mogelijkheid. Verlies maakt creatief.”

Over een paar maanden wordt u tachtig. Sommige mensen worden met de jaren wijzer en milder. Hoe is dat bij u?

Grass schiet in de lach. „Ik hoop dat ik tot het einde als nieuwsgierig mens deelneem aan hetgeen om ons heen gebeurt. Dat kan alleen maar kritisch zijn. Aanleidingen genoeg.”

Günter Grass: De rokken van de ui. Vertaald door Jan Gielkens. Meulenhoff, 480 blz. € 29,90. Günter Grass: Dummer August. Steidl Verlag, 80 blz. € 25,–Martin Kölbel: Ein Buch, ein Bekenntnis.Die Debatte um Günter Grass’ Beim Häuten der Zwiebel. Steidl Verlag, 368 blz. € 12,–