Lekker vroeg in bejaardenhuis

Het kabinet wil meer wijken die ‘levensloopbestendig’ zijn.

Ouderen en gehandicapten kunnen dan zelfstandig blijven wonen. Maar de praktijk is weerbarstig.

Dick de Ligt is een vutter van 59 jaar. Tot voor kort woonde hij met zijn vrouw in een grote eengezinswoning in de wijk De Akkers in Spijkenisse. „Dat was te groot huis voor ons tweetjes”, zegt hij. „Ik moest veel te veel klussen.”

Nu wonen De Ligt en zijn vrouw in een ‘levensloopbestendig’ appartement in wijkservicecentrum Herman Gorterhof. „De woningen zijn tussen de 85 en 100 vierkante meter. Alles is gelijkvloers en je hebt een eigen parkeerplek. Ideaal. En zorg hebben we bij de hand. Nu zijn we nog gezond, maar ik kan niet in de toekomst kijken.”

Eind 2006 ging het Herman Gorterhof open. Het wijkservicecentrum bestaat uit 79 appartementen in de sociale en middeldure huur, waaronder 22 woningen voor mensen die veel zorg nodig hebben. De woningen zijn volledig toegankelijk voor rolstoelen, hebben geen drempels en brede deuren. De leeftijd van bewoners varieert van 40-plus tot bijna 100 jaar. Een deel van hen werkt nog.

De 40-plussers mochten in de Gorterhof huren, omdat hun woning elders werd gesloopt. Officieel is de minimumleeftijd 55 jaar. Tot ongenoegen van Trix Koop, vestigingsmanager bij woningcorporatie Maasdelta, de eigenaar van het Gorterhof. „Dat hele 55-plus label mag er wat mij betreft van af”, zegt ze. „Ik ben zelf zestig. Het lijkt me vreselijk alleen tussen ouderen te wonen. Een mix van jong en oud houdt het levendig.”

Kern van de opzet van woonzorgprojecten als in Spijkenisse is de scheiding van wonen en zorg, waardoor bejaarden en gehandicapten regie over hun leven houden en niet geïsoleerd raken in tehuizen. Op de begane grond van het Herman Gorterhof zijn zorg- en welzijnsvoorzieningen, zoals een apotheek, huisarts, fysiotherapeut, en dagverzorging. Ze zijn ook bestemd voor de omliggende wijken. Net als ontmoetingsruimte Mei, waar een bar is en activiteiten worden georganiseerd. Bewoners runnen de ruimte als vrijwilligers, samen met stagiaires van het ROC Zadkine. Bij de ‘open eettafel’ op woensdagavond (hoofdgerecht 5 euro, voorgerecht 90 cent, reserveren noodzakelijk) zijn gasten uit heel Spijkenisse.

Het gemeentebestuur wilde dat Spijkenisse in 2010 volledig ‘levensloopbestendig’ zou zijn. In 2001 zetten gemeente, zorginstellingen, woningcorporaties, zorgverzekeraars, en welzijnsinstellingen prestatieafspraken op papier. Spijkenisse loopt met enkele andere gemeenten nog steeds voorop, maar de ambities zijn wat bijgesteld. De gemeente heeft weinig bouwgrond en dat blijkt een forse handicap. „Bij twee van de vijf geplande wijkservicecentra hebben we de grond volledig in eigendom”, zegt beleidsambtenaar Pascale van der Wekken. „Daar konden we veel voor elkaar krijgen. Maar bij de andere drie centra is onze invloed veel kleiner.” „Als projecten in de versukkeling raken heeft dat vaak te maken met het ontbreken van grond of te hoge grondprijzen”, zegt vice-voorzitter Tom Vroon van het Bouwcollege Zorginstellingen, dat de overheid adviseert en namens de overheid toeziet op (ver)bouwplannen.

De meest voortvarende gemeente is volgens velen Middelburg, de gemeente die in hoog tempo het plan realiseert de hele stad voor eind 2010 levensloopbestendig te maken. „We bouwen nergens als we de grond niet zelf in bezit hebben”, zegt wethouder Albert de Vries (Sociale Zaken, PvdA). Projectontwikkelaars die grond kochten, hebben die daarom weer aan ons terugverkocht.”

Van belang is volgens De Vries dat de lokale woningcorporatie achter het beleid staat. De gemeente koopt bestaande zorglocaties en verkoopt die door aan de woningcorporatie.

Het Bouwcollege Zorginstellingen probeert volgens vice-voorzitter Vroon met een ‘aanjaagteam’ de besturen van verzorgingshuizen enthousiast te maken om hun instelling om te bouwen tot een woonzorgcomplex. Maar vaak zijn er grote aarzelingen. „Je vraagt hun eigenlijk zichzelf op te heffen”, aldus Vroon. Door verplichte aanbesteding op de zorgmarkt is het verzorgingshuis namelijk niet meer zeker dat haar eigen werknemers de zorg aan de bewoners mogen blijven leveren.

Voor zorgaanbieders geldt de afweging dat zij woonzorgcomplexen moeten kunnen exploiteren. Zo is voor kleinschalige woonzorgcomplexen op grond van de regels relatief meer verzorgend personeel nodig dan in verzorgings- en verpleeghuizen. Volgens Vroon geven niet alle gemeenten prioriteit aan ouderenhuisvesting. „Ik hoorde een wethouder in het zuiden van het land zeggen: wij zijn er voor de yuppen, laat de provincie maar voor ouderen bouwen.”