Laptopvrijheid

In de loop van de jaren negentig werd duidelijk dat het wereldwijde web geen utopisch verzinsel van overgeestdriftige geleerden was, maar misschien wel de oorzaak van een revolutionaire verandering zou kunnen zijn. Optimisten voorzagen een fundamentele en mondiale democratisering. De tijd was niet ver meer dat onderdrukte volken via hun laptops de vrijheid zouden kunnen proeven. Individuele burgers zouden zich zonder tussenkomst van hun partijen tot regeerders kunnen richten. Nog veel meer zegeningen, te veel om op te noemen.

Hoewel er via het web nog geen dictatuur is omvergeworpen zijn veel verwachtingen min of meer uitgekomen. Maar er is nog een gevolg dat toen niet werd voorzien. Er is een soort sociaal nevenuniversum ontstaan, een onbegrensd en aan geen regels gebonden gebied van communicatie dat we de blogosfeer noemen: de ruimte waar iedereen zijn woorden en beelden de vrije loop kan laten. Wat de homo sapiens daar ten beste geeft, valt vaak tegen. Geholpen door de modernste, zich voortdurend verder ontwikkelde techniek van de elektronica hebben ongetelde bloggers een nieuw stenen tijdperk geopend, of een virtuele anarchie waar het recht van de grootste bek geldt.

In de oude media is daarover ongerustheid ontstaan. De Volkskrant bijvoorbeeld, die met de grote instemming de communicatie via internet heeft begroet en nog steeds begeleidt, heeft een paar maanden geleden de neanderthalers onder de bloggers gemaand het wat kalmer aan te doen. En nu in The New York Times van 9 april trof ik op de voorpagina een artikel van dezelfde strekking: A Call for Manners in the World of Nasty Blogs. Is het te laat om nog beschaving op het web te brengen, vraagt de schrijver, Brad Stone, zich af. Twee vooraanstaanden in de blogosfeer, Tim O’Reilly die de term Web 2.0 heeft bedacht en Jimmy Wales, grondlegger van de Wikipedia, willen een gedragscode voor de blogosfeer. Zo zou het verboden moeten worden, anonieme boodschappen te versturen. Grove beledigingen zouden verwijderd kunnen worden zonder dat dit geschreeuw over de beperking van de vrijheid van meningsuiting veroorzaakte.

In het vervolg van het artikel worden dan krasse voorbeelden genoemd van bloggers die leugens hadden verspreid, of scabreuze fotomontages, of een doodsbedreiging hadden verstuurd. Voor de Nederlandse lezer die enigszins thuis is op internet, is het allemaal geen nieuws. De vraag is of een gedragscode zou kunnen helpen. Hier vrees ik het ergste.

In het precomputertijdperk had je de titulatuur, het systeem dat aangaf hoe je je tot iemand moest richten. Het was al in het begin van verval in de jaren zestig, de e-mail heeft er definitief een einde aan gemaakt. Verder is er het destijds beroemde boek van Amy Groskamp-Ten Have, Hoe hoort het eigenlijk. Het gebruik van de kreeftenvork, het volmaakte eten van asperges, tot het wenselijk gedrag in alle gezelschappen onder alle omstandigheden. Hoort ook tot de geschiedenis. Het ‘Geen gezeik, iedereen rijk’ van Jacobse en Van Es werd, hoewel weinigen er rijk van zijn geworden, ongemerkt tot de leuze van de nieuwe democratisering. En internet met de blogosfeer is de voorlopige voltooiing van deze stap voorwaarts.

Sigmund Freud heeft een mooi essay geschreven, Das Unbehagen in der Kultur. Mensen met minder hersenen, een lager niveau van opvoeding en opleiding hebben van nature een hekel aan degenen die ze als hoger beschouwen. Dat is hun ressentiment. Meestal weten ze dat te bedwingen, en als ze redelijk welvarend zijn, schikken ze zich zonder verder nadenken in de maatschappelijke orde. Daaraan wordt nu door internet met de blogosfeer een virtueel eind gemaakt. Vrijheid van meningsuiting wil ook zeggen dat iedereen iedereen zonder kwade gevolgen voor zichzelf naar hartelust kan beledigen, uitschelden, bedreigen. Een sleutelzin in Freuds betoog luidt: „Die individuelle Freiheit ist kein Kulturgut.” Dat kun je nu met je laptop bewijzen.