Krapuul de luxe

Koen Mortier debuteert met een schandaalfilm gebaseerd op het boek ‘Ex drummer’ van Herman Brusselmans, waarin het wemelt van asocialen, losers en junkies. „Er zijn mensen die mij echt beschuldigen van fascisme en racisme en ik weet niet wat.”

Eindelijk is-ie er dan. De eerste verfilming van een boek van Vlaanderens troetel-enfant terrible Herman Brusselmans. Dat wordt lachen.

Nou vergeet het maar. Koen Mortiers Ex drummer is Brusselmans-plus. Een Brusselmans waarbij het lachen je langzaamaan vergaat. Een Brusselmans die ook het schrijvers-alter-ego-personage naar het einde toe hardhandig ontmaskert. Een cynische, zelfkritische film over de destructieve kanten van de artistieke scheppingsdaad. Nee, regisseur Mortier heeft maar weinig mooie woorden over voor zijn hoofdpersoon, vertelde hij op het Filmfestival Rotterdam: „Dries is een psychopaat van het zuiverste water. Vanuit zijn veilige ivoren toren laat hij zich verlokken om een tijdje heer en meester te spelen over het krapuul-de-luxe: de aso’s en de losers, het gespuis, het schuim en het tuig, de junkies en de vrouwenmolesteerders, de lispelaars en de loensers. Hij wordt drummer van hun band. Want zelfs de grootste idioten hebben nog recht op hun 15 minutes of fame. Er zit een verhaal in, vertrouwt hij zijn bloedmooie vriendin toe. En als hij er genoeg van heeft kan hij er altijd een punt achter zetten.”

Zo althans gaat het in het in 1994 gepubliceerde boek van Brusselmans, waarin de schrijver zijn eigen ontsnappingsclausule verzilvert. Maar niet bij Mortier: „Dries is het slechtste personage van de film. Hij mag niet ontsnappen aan de laagdunk en de wraak van de kijker. De toeschouwer moet hem uiteindelijk maar uitspugen.”

Volgens de Belgische filmkritiek waren er op het speelfilmdebuut van reclamemaker Koen Mortier (1965) dan ook maar twee soorten reacties mogelijk: dit is een film die je haat of waar je voor gaat. Die recensies kwamen gelijk met de internationale première van de film op het afgelopen Filmfestival Rotterdam, waar Ex drummer één van de kandidaten voor een Tiger Award was. Maar ook een van de enerverendste, verwarrendste, meest besproken films van het festival. En altijd ging het gesprek over het moment waarop het lachen overging in walging. Een heuse schandaalfilm dus, waarin je je door een hoop rock‘n’roll (en seks en drugs en kots en bloed en geweld en ellende) heen moest ploegen om bij de amorele, antimorele driedubbel binnenstebuitengekeerde moraal van het verhaal aan te komen. Want de boze filmmaker Koen Mortier heeft stiekem wel een boodschap in zijn film gestopt.

Vergelijkingen waren er volop

: met de stilistische drugs extravaganza uit Danny Boyle’s Trainspotting (1996), of de tegen wil en dank geestige geweldsuitbarstingen in de Waalse film C’est arrivé pres de chez vous (1992). Zelf vergelijkt Mortier het effect van zijn film graag met dat van Funny Games (1997) van Michael Haneke, een film die de toeschouwer ontredderd en ontdaan van morele handvatten in zijn bioscoopstoel achterlaat. Want natuurlijk moeten films amuseren op z’n tijd, maar ze moeten ook ‘de-amuseren’, zoals Mortier dat noemt.

Ex drummer begint als een achteruitgespoelde film met een adrenalinesoundtrack die je bloed voorwaarts pompt. Drie mannen op de fiets. Elegant rijden ze achteruit de straat uit. Gitaren krijsen. Ze vallen zachtjes onder een bus. Knallen zichzelf weer op hun rijwiel. Wiebelen en wankelen nog een tijdje terug. Dodelijke beat. Eentje verdwijnt in een huis. En toen waren er nog maar twee. Ze wachten even. Drukken op de bel. En gaan dan maar weg. Eigenlijk moet het dan al duidelijk zijn. Naar deze film moet je niet met je gewone verlangen naar logica en causaliteit kijken. Dit is een klassieke nietzscheaanse Umwertung aller Werte.

We spraken de filmmaker op het Filmfestival Rotterdam en een maand later tijdens het Unheard Festival in de Amsterdamse bioscoop Kriterion. In het gesprek probeerden we vooral het mechanisme te analyseren waarop, zoals Mortier dat noemt „de lach vervaagt en overgaat in reflectie.”

Komt het door de absurdistische vorm van de film dat je als toeschouwer vaak zit te lachen om dingen waar je helemaal niet om wilt lachen: geweld, smerigheid, verwaarlozing?

„Maar dat is toch juist goed? Dat de lach een vraag bij je oproept. Daar zit het knelpunt. Ik vind dat een interessante manier van werken. Je lokt de toeschouwer uit. Je toont iets waarvan de toeschouwer wel moet denken dat het niet klopt. En tegelijkertijd moet je ook weer niet zo onverschillig tegenover het leven staan dat je kunt ontkennen dat het bestaat. Door het gebruik van zwarte humor, demonstreer je tegelijkertijd ook de werking van zwarte humor.”

Waarschijnlijk hebben veel van de felle reacties op de film te maken met het feit dat de stap van zwarte humor naar reflectie tamelijk groot is.

„Ik had niet verwacht dat die reacties zo persoonlijk en heftig zouden zijn. Er zijn mensen die mij echt beschuldigen van fascisme en racisme en ik weet niet wat. Ik wist dat sommige scènes op de rand zijn, maar daarmee wilde ik het tegenovergestelde bereiken. Mijn punt is dat ik mijn woede wil laten zien over iemand die racistisch is: zo voel ik over hem. Ik ga er toch van uit dat die projectie duidelijk genoeg is. Het is niet dat ik er een ongelooflijk sympathiek mens van maak, over wie iedereen zegt: ‘Goh, ik kan me echt met die kerel identificeren.’ Ik wilde alleen niet moraliseren.”

Waarom niet?

„Ik heb op een katholieke school gezeten en alles wat enigszins leek op moraliseren, deed mij in woede ontsteken. Voor mij persoonlijk werkt dat niet. Dus ik vermoed dat ik zelf ook niet kan moraliseren. Dat ik alleen maar kan schoppen en schreeuwen, meelokken en afduwen.”

Door te provoceren roept u die reacties natuurlijk ook op.

„Film moet ook provoceren. Of het nou emotioneel is, via agressie, via absurdisme, via nihilisme, via nullisme, film moet op een of andere manier provoceren. Als een film mij niet ondersteboven gooit, afschrikt of ontroert, dan hoeft het van mij niet. Als je verward bent, heb je vragen en dan blijft het ondanks alles een interessante film.”

Wat is de grootste verwarring die ‘Ex drummer’ teweeg brengt?

„Dat je verraden wordt door de personages. Dries lijkt op het eerste gezicht een sympathieke, gewone jongen. Niet te mooi, niet te lelijk. Zo iemand die heel Vlaanderen wel als schoonzoon wil hebben. Helemaal niet zo extreem als Brusselmans van uiterlijk. En dan denk je dat hij een personage is waar je je mee kunt identificeren, waar je voor moet gaan en dan blijkt dat hij je verraadt. Ten eerste is hij helemaal anders dan je denkt, maar hij heeft ook nergens spijt van. Er is geen moment van zelfreflectie. Het leven gaat gewoon door. Dries is de perfecte Orpheus. Hij kijkt niet om als hij de onderwereld verlaat.”

In ons vorige gesprek zei u dat u het gedrag van Dries meer verwerpt dan dat van de andere personages, omdat hij beter zou moeten weten. Dus vond u die zogenaamde onderklasse eerlijker dan de intellectuelen…

„Ja, dat is toch ook zo!”

Maar u schildert ze niet bepaald met meer compassie af dan Dries.

„Maar ze zíjn ook verschrikkelijk. Het is niet zomaar onderklasse. Het zijn klootzakken. Het zijn allemaal verslaafden, ze laten hun kind verslonzen, ze laten hun vader verkommeren, op zich is het toch allemaal verschrikkelijk volk. Ze zijn alleen bezig met zichzelf. En met het klemrijden van anderen. Dat is eigenlijk ook zo’n beetje de maatschappij: likken naar boven en kakken naar beneden.”

Vindt u dat nihilisme een realistische kijk op de wereld? Heeft u als filmmaker geen behoefte aan een ‘escape route’, zoals Dries behoefte heeft aan een ‘escape route’?

„Het is nog altijd realisme onder het mom van een karikatuur. Maar ik voel wel dat de wereld steeds meedogenlozer wordt. Vanochtend toen ik hierheen liep dacht ik nog dat we allemaal wel zeggen dat Bush en Saddam honderdduizenden doden op hun geweten hebben, maar het echte cynische is dat die mensen geen gezicht hebben.”

En dan maakt u zelf een film over een personage dat van zichzelf zegt dat hij zo cynisch is als de koning van Siam?

„Ja. Nee. Ik maak eigenlijk een negatieve film. Ik maak eigenlijk een nihilistische film. Ik maak eigenlijk een woedende film. En dat vind ik iets anders. De personages in mijn film die dood zijn, komen terug met een soort van laatste biecht. Dat is om het allemaal wat te relativeren. Ze zijn een komische noot. Maar het is ook een moment waarop alles rustig wordt en je beseft dat ook zij mensen van vlees en bloed zijn, die ooit ambities, dromen en gevoelens hadden.”

Blijkt daar de boze filmmaker Koen Mortier toch een humanist?

„Ik voel wel mee met die mensen. Hoe erg dat moment ook is, of hoe simpel dat moment ook is, het zijn wel mensen, ze hebben een gezicht en gevoel. Al is dat gevoel soms stom. Zo’n personage als Dikke Lul – zijn gevoelens zijn sprekend voor zijn ganse leven, want ze gaan over zijn lul. Of dat meisje dat aangerand is door haar vader, dat op zoek is naar iemand met een grote penis. Dat zijn harde insteken natuurlijk, maar daar voel ik me niet minder menselijk om.”

Is die woede uw creatieve energie?

„Het is een innerlijke woede die zelden naar buiten komt, hoogstens in mijn creativiteit of als ik me vastbijt in een project. Het duurde acht jaar voordat ik deze film kon maken. Jan en alleman op deze aardbol heb ik gevraagd me enigszins financieel te helpen. Het ketste af op de bezwaren van de filmcommissie in Vlaanderen. Waarom? Dat is de schrik van Brusselmans, hè? Hij verwoordt iets dat men niet kan relativeren. Had ik die woede niet gehad, dan was die film er nooit gekomen. Mijn ego hoefde niet gestreeld te worden, mijn gekrenktheid niet gered. Ik ben opgevoed om te vechten.”

‘Ex drummer’ draait vanaf deze week in de bioscopen.