Kom niet aan de vakanties van leraren

Onderwijsminister Plasterk wil het aantal vrije dagen van leraren niet beperken, alleen beter spreiden over het jaar. Toch is dat niet te doen, zeggen de onderwijsbonden.

In een toespraak op het ministerie van Onderwijs zei minister Plasterk (PvdA) gisteren dat hij niet bij alles wat hij zegt ruggespraak houdt met mensen in het onderwijs. „En dat heb ik geweten.”

Diverse Kamerleden en de onderwijsbonden reageerden afgelopen week verontwaardigd op de opmerking van Plasterk dat leraren wel wat uren zouden kunnen verplaatsen naar de schoolvakanties, om de werkdruk het hoofd te bieden. In de honderd dagen waarin het kabinet zich bezint op beleidsvoornemens, heeft Plasterk nog niet met de onderwijsbonden gepraat. „Die staan voor de komende weken gepland”, zei hij gisteren.

De minister heeft met zijn opmerking de discussie over de werkdruk verlegd naar een debat over lerarenvakanties. Leraren hebben relatief veel vakantiedagen. En die zijn heilig, ondervond Plasterk.

Zijn voorstel is ondoordacht, zegt algemeen secretaris Martin Knoop van de Algemene Onderwijsbond. „De werkdruk zit voornamelijk in het aantal lessen dat leraren moeten geven. Die kún je niet naar de vakantie verschuiven.” Bovendien zijn veel taken gebonden aan een bepaalde week, zoals rapportvergaderingen, zo zegt Knoop.

Voorzitter Marleen Barth van vakbond CNV Onderwijs is vooral „verdrietig” over de opmerking van Plasterk. „Leraren zeggen tegen mij dat ze het zo jammer vinden dat juist de minister meedoet aan de borrelpraat over lange vakanties. Laten we die ene aantrekkelijke kant van werken in het onderwijs alsjeblieft behouden.” Volgens Barth is de helft van het grote aantal vakantiedagen voor leraren „compensatie” voor het aantal gemaakte overuren door het jaar heen.

Dat leraren een hoge werkdruk hebben, betwist Plasterk niet. In de discussie daarover spelen twee getallen een rol: 1.040 en 1.659. Het eerste staat voor het aantal klokuren onderwijs dat een leerling in de onderbouw van het voortgezet onderwijs moet krijgen. Het tweede voor het aantal uren dat een full time leraar werkt in een jaar. Leraren hebben een wat atypische verdeling van hun uren over het jaar. Het maximaal aantal dagen waarop een middelbare school géén les hoeft te geven, is 68. Dat zijn 60 vakantiedagen en 8 landelijke feestdagen. In de 38,5 resterende weken werken leraren gemiddeld 43 uur per week. Het probleem is, volgens de leraren, dat niet iedere week even druk is. In sommige weken, bijvoorbeeld voorafgaand aan examenperiodes, moeten ze wel eens 50 uur werken. Daar zouden nauwelijks weken tegenover staan met minder uren dan het voorgeschreven aantal.

Van hun 1.659 arbeidsuren worden leraren geacht ongeveer 750 tot 800 uur les te geven – inclusief ‘buitenlesactiviteiten’ en leerlingbegeleiding (zie diagram). Uit onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling blijkt dat Nederlandse leraren relatief veel uren lesgeven. Zo staan Vlaamse leraren 673 uur voor de klas, Franse 614 en Duitse 705. Het EU-gemiddelde is 641 uur. Amerikaanse leraren geven daarentegen 1.080 uur les.

Ook de 1.040 uren onderwijs die leerlingen moeten krijgen in de onderbouw spelen een rol bij de werkdruk. Sinds de Tweede Kamer vorig jaar besloot die norm in te voeren, ettert de discussie maar voort over de haalbaarheid daarvan. Scholen en leraren klagen dat ze onmogelijk aan die eis kunnen voldoen. Ouders zeggen op hun beurt dat hun kinderen te weinig les krijgen. Het ministerie is niet van plan te tornen aan het aantal verplichte lesuren.

Doordat veel scholen de norm tot nu toe niet halen, passen ze kunstgrepen toe om geen berisping te krijgen van de Inspectie van het Onderwijs. Ouders klagen onder meer over uren ‘begeleid tekenen’ die zouden meetellen in het aantal uren. Leraren zeggen dat ze meer moeten surveilleren bij andere klassen, vaker lessen moeten overnemen in geval van ziekte van een collega en langere dagen moeten maken.

Nu eens zijn het de ouders, dan weer de leraren die de publiciteit zoeken om hun standpunt naar voren te brengen. Vorige week was het de beurt aan vakbond CNV Onderwijs. Een voorlichter belde naar diverse media om te wijzen op de vele verontruste reacties die de bond ontvangt van leraren die de werkdruk niet aankunnen. De vakbond vond gehoor bij dagblad Trouw, dat afgelopen zaterdag zijn voorpagina wijdde aan de klacht van leraren.

Tweede Kamerlid Tofik Dibi (GroenLinks) pikte dit op en stelde vragen aan minister Plasterk, verantwoordelijk voor arbeidsomstandigheden van leraren en aan staatssecretaris Van Bijsterveldt (CDA), die over het voortgezet onderwijs gaat. Plasterk opperde daarop dat een verschuiving van de werkdruk wellicht mogelijk was, en bepleitte geen korting op vakantiedagen. Toch viel het niet goed.

Het ministerie van Onderwijs heeft na alle commotie over de vakantiedagen laten weten dat Plasterk erkent dat de werkdruk in het onderwijs hoog is, zo zegt een woordvoerster. „Daarom komt er nu een commissie om die werkdruk te onderzoeken. De minister heeft slechts een ballonnetje opgelaten.”

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Kom niet aan de vakanties van leraren (13 april, pagina 3) staat dat een woordvoerster van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) heeft gezegd dat de minister „slechts een ballonnetje heeft opgelaten”. De woordvoerster heeft gezegd dat Plasterk wordt verweten dat hij een proefballonnetje heeft opgelaten, maar dat dit niet het geval is.