Katja’s dagboek

Wat voorafging: Katja heeft nu Tjalling teruggevonden. Hij heeft haar over zijn avonturen verteld. Nu is het tijd om verder te zoeken naar Sebastiaan, de gekidnapte beste vriend van Katja.

Er liep niemand op straat, behalve wij. De stad leek wel dood. Overal stonden auto’s, zomaar midden op de weg. Het was alsof ze elk moment konden gaan rijden, maar er zat niemand in. De zon scheen. Een paar wolken hingen doodstil in de lucht.

„Kun jij een auto besturen?” vroeg ik.

„Wat? Eh, tuurlijk.” Tjalling stak zijn borst naar voren. Ik vroeg me af of dat superheldengedoe ooit weer zou slijten.

„Oké dan”, zei ik. „We moeten naar de kade.” Ik liep naar een van de auto’s, een rode, en trok het portier open. Tjalling zag bleek toen hij instapte aan de bestuurderskant. „Oké dan”, zei ik weer.

Maar helaas. De auto was nep. Het stuur kon niet draaien. Het gaspedaal en de rem zaten vast. De hele binnenkant van de auto was gegoten uit één stuk plastic. Ik had het kunnen weten. We stapten weer uit. „Dan gaan we maar lopen”, zei ik met een zucht. „Die kant op.” Alwéér lopen. Mijn schoenzolen zaten intussen vol gaten.

We liepen door de spookstad. Het was griezelig dat niets het deed, dat nergens iets bewoog. Maar ik geloof dat Tjalling en ik zo langzamerhand te moe waren om nog bang te zijn. Te moe om nog ergens van te schrikken.

Na een lange tocht kriskras door stegen, straten en lanen stonden we eindelijk aan de kade. Het water van de zee was wél echt. Het klotste. Tjalling kreunde. Hij zweette zich rot in zijn superheldenpak. „Zeik niet”, zei ik. „Doe dat pak dan uit. Kijk, daar moeten we heen.” Aan de horizon over het water staken een paar blauwige punten scherp af tegen de lucht. Punten van rotsen; kliffen. Er lag daar een eiland… En op dat eiland moest Sebastiaan uithangen, ik wist het zeker. Maar hoe moesten we er komen? Ik ging op een bankje zitten en staarde naar de watervlakte. Weer water. En ik zat nog steeds opgescheept met iemand die nog geen drie slagen zwemmen kon.

„Misschien kunnen we wachten tot het winter is”, mompelde Tjalling.

„Wat?”

„Als het winter is, bevriest het water.”

Ja hoor. Er bestond hier in deze nepwereld vast geen eens winter! Ik ging met mijn rug naar Tjalling toe zitten. Verderop was een parkeergarage. En op het dak stond…

„Tjalling!” Ik sprong op. „Daar! Een helikopter!”

Even later stonden we op het dak van de parkeergarage. Naast de zilveren helikopter die glansde in de zon. Tjalling klopte erop, haalde toen zijn schouders op. „Doet het natuurlijk ook weer niet”, zei hij. Maar ik zag iets liggen, onder de helikopter, en raapte het op. Een kastje met schakelaars en lichtjes. En een aan- en uitknop… ,,Het is een radiografisch bestuurbare helikopter”, brulde ik. ,,Vooruit sukkel, stap in.”

Wordt vervolgd