Johan, hou toch eens je waffel

Menig journalist wordt een schuchtere padvinder in de nabijheid van ‘onze’ grootste voetballer, zo blijkt uit de boeken bij de 60ste verjaardag van Johan Cruijff. Wat is dat toch, dat iedereen voor die man valt?

Pieter van Os: Johan Cruijff, de Amerikaanse jaren. Uitgeverij 521, 288 blz. €16,90

Marcel Rözer: Beckenbauer en Cruijff. De Keizer en de Verlosser. Houtekiet, 214 blz. €19,95

Mik Schots en Jan Luitzen: Wie is Johan Cruijff. Insiders duiden het orakel…maar Cruijff heeft zelf het laatste woord. De Arbeiderspers, 287 blz. €17,95

Eerst even iets rechtzetten: Johan Cruijff is vooral géén geldwolf. Bij de NOS worden ze zelfs gek van hem, omdat hij weigert rekeningen te sturen voor zijn voetbalanalyses. Martijn Lindenberg, namens de televisieorganisatie belast met de financiële onderhandelingen met Cruijff, moet hem smeken om facturen: ‘We moeten altijd twintig keer vragen of Johan alsjeblieft de rekening wil sturen. Dan roept hij: „Is het nog niet gedaan? Ik ga er werk van maken”. ’

In Wie is Johan Cruijff van de publicisten Mik Schots en Jan Luitzen onthult Lindenberg dat Cruijff zich met grote geldbedragen geen raad weet. Hij moet het hebben van muntgeld, waarmee hij met collega’s van NOS-sport gokt op doelpunten tijdens de wedstrijden van de Champions League. Cruijff gaat er altijd met de jackpot vandoor, vooral omdat hij de spelregels naar believen mag veranderen.

Boodschap: zo lang je Cruijff laat dollen heb je geen kind aan hem. In een organisatie waar iedereen voortreffelijk met het fenomeen overweg kan, is intern alleen sprake van enige strijd wie hem het beste op zijn gemak kan stellen, zodat Cruijff er ‘zomaar’ een grap kan ‘uitgooien’ tijdens de uitzendingen. Presentator Jack van Gelder weet wie er met die eer gaat strijken: hijzelf. Van Gelder: ‘Hij weet toch dat hij met Tom (Egbers) op een andere manier moet omgaan dan met mij, omdat wij elkaar door en door kennen. Ik zie aan zijn linkerwimper wat hij gaat doen. Ik weet het precies.’

Wat is het toch met Cruijff dat volwassen mensen zich kritiekloos aan hem overleveren? In 2004 schreef oud-minister Pieter Winsemius in Je gaat het pas zien als je het doorhebt een lofzang op de maestro vergeleken waarmee de bewondering van Henry Kissinger voor oud-honkballer Joe DiMaggio bleek afstak. In Wie is Johan Cruijff mogen vrienden en bekenden hem de hemel in prijzen. Zo komen we te weten dat hij volgens boezemvriend Rolf Grootenboer ‘eigenlijk nooit chagrijnig’ is, vindt oud-voorzitter van Ajax Michael van Praag het ‘heerlijk’ om Cruijff in ‘privégezelschap mee te maken’, weet journalist Simon Kuper zeker dat de niet-joodse Cruijff in Israël als ‘een ere-Israëli wordt gezien’ die, als hij er een partij zou oprichten, ‘twee of drie zetels in de Knesset’ zou halen, en verbleef journalist Frits Barend ruim vijf uur met hem in het Israëlische Holocaustmuseum Yad Vashem om, als helderziende, zonder hem ernaar te vragen, vast te stellen: ‘Het raakte hem precies op de plek, waarvan ik dacht: zó zal het je raken! We hadden geen woorden nodig die dag. We hebben het er daarna ook nooit meer over gehad.’

Grillig

Nogmaals: vanwaar deze kruiperigheid? Het antwoord komt van Josep Casanovas, oprichter en uitgever van het Catalaanse sportblad Sport: ‘Hij is het type: wie niet voor mij is, is tegen mij […] Nog steeds is het bij Cruijff zo dat bij een goede relatie alles goed is in alles en bij een slechte relatie alles slecht is in alles.’ Cruijff is bovendien grillig. Eén verkeerd woord of gebaar en de vriend van gisteren wordt ingedeeld in het (veel grotere) kamp van de vijanden. Vrienden als Grootenboer en bekenden als Van Gelder moeten daarom voortdurend op hun tenen lopen om het hem naar de zin te maken.

Cruijff is geknipt voor televisie. Zijn Duitse generatiegenoot Franz Beckenbauer is dat ook, maar om een andere reden. Waar Cruijff het na zijn afscheid als voetballer van zijn verbale (on)vermogen moet hebben, laat Beckenbauer periodiek zijn voeten spreken. Geen Duitse sportliefhebber is vergeten hoe hij als trainer van Bayern München na het behalen van het kampioenschap in 1994 in een sportprogramma toesloeg. In aangeschoten toestand legde hij de bal op een glas witbier, om deze feilloos in een rond gat in de muur te schieten. Onmiddellijk na het succesvolle schot wendde hij zich tot de sportpresentator. ‘Ik hoef nu geen standbeeld’, zei hij, ‘want daar gaan de honden toch maar tegenaan plassen.’

Het was een verbluffende prestatie, die helaas niet voorkomt in het intrigerende maar slordig geschreven boek van sportjournalist Marcel Rözer over ‘de verlosser’ en ‘de keizer’. Rözer meent dat Beckenbauer anders dan Cruijff en op typisch Duitse wijze succes nastreefde. Daarin heeft hij ongetwijfeld gelijk: Beckenbauer heeft als speler en als trainer meer hoofdprijzen in de wacht gesleept dan Cruijff, die nooit wereldkampioen werd en alleen op clubniveau bij Ajax en Barcelona titels behaalde. Maar vormen succes en winst daadwerkelijk de kern van het imago van Beckenbauer?

Wie naar de betekenis zoekt van zijn een na belangrijkste bijnaam weet dat het anders ligt. Die Lichtgestalt, wordt Beckenbauer ook genoemd. Daaruit blijkt niet ‘het verlangen van de Duitser naar erkenning in de grote wereld’, zoals Rözer meent, een reclameschrijver citerend. ‘Lichtgestalt’ is de term waarmee de bevolking haar bewondering voor het zeer on- Duitse, de zwaartekracht ontstijgende geluk van Beckenbauer wil uitdrukken – zie zijn optreden in het sportprogramma. Alles wat de keizer aanraakt verandert in goud. Hij is de enige Duitser met een Midas touch. In een land van tomeloze werkers en loodzware denkers geldt Beckenbauer als een plezierig gewichtloze uitzondering.

Het verrassendste nieuwe boek over Cruijff is geschreven door Pieter van Os, redacteur bij De Groene Amsterdammer. Van Os vraagt zich in de inleiding af of ‘drie jaar’ uit het leven van Cruijff een boek rechtvaardigt: ‘Een gat van drie jaar in de biografie van een vaderlandse voetbalheld is geen ramp.’ Maar nadat hij ten onrechte het belang van Cruijff heeft gebagatelliseerd door hem te vergelijken met Colijn en Michiel de Ruyter, komt hij met een fonkelend verhaal op de proppen, dat een groot publiek verdient.

Doorstart

Cruijff belandde in Amerika nadat zijn zakenpartner Michel Basilevitsj hem in Spanje financieel en emotioneel had uitgewrongen. In Los Angeles en Washington werkte hij aan de wederopbouw van zijn vermogen en maakte hij een doorstart met zijn huwelijk. Hij had behoefte aan rust, maar die was hem vanwege zijn karakter niet gegeven. Net als in Nederland en Spanje dwong hij medespelers, trainers, bestuurders en journalisten voor of tegen hem te kiezen. Tussen zijn aankomst in Amerika op 19 mei 1979 en zijn rentree bij Ajax in de Nederlandse competitie op 6 december 1981 maakte hij een opgejaagde indruk. Hij pendelde rusteloos heen en weer tussen Amerika (Los Angeles Aztecs, Washington Diplomats), Nederland (adviseur van Ajax) en Spanje (Levante).

Amerika bood hem een nieuwe kans, maar die greep hij niet. Cruijff wisselt in het boek van Van Os schitterende acties op het veld af met hardnekkige blessures en onuitstaanbaar gedrag jegens iedereen die niet overtuigd is van zijn genialiteit. Bij de Aztecs, getraind door Rinus Michels, lag hij goed en had hij succes, overigens zonder dat hij zijn team kampioen maakte. Het seizoen daarna, bij de Diplomats, werd een drama. Cruijff kon niet overweg met zijn trainer, de Brit Gordon Bradley, en slaagde er niet in de ploeg naar zijn hand te zetten. Dieptepunt vormde een handgemeen met de jonge Amerikaanse international Sonny Askew, die weigerde zich neer te leggen bij de superioriteit van Cruijff en die door hem werd getreiterd en vernederd. Net zo lang tot Askew Cruijff bij de training naar de keel greep.

Niet iedereen was of is in staat Dr. Know-it-all, zoals Cruijff volgens Schots en Luitzen door zijn echtgenote Danny wordt genoemd, verbaal van repliek te dienen. En toch: een keer hard terugblaffen volstaat, ondervond Tscheu- la Ling. De voormalige rechtsbuiten van Ajax werd begin jaren tachtig horendol van het onophoudelijke gezeur van Cruijff. Toen deze hem op een gegeven moment ongevraagd advies gaf bij een potje biljart was voor hem de maat vol. ‘En nu oprotten, anders douw ik deze keu in je reet’, beet hij Cruijff toe. ‘Ik heb nooit meer last van hem gehad,’ aldus Ling in het boek van Rözer.

De methode-Ling was niet nieuw. ‘Komm Johan, halt einfach die Schnauze,’ zei Berti Vogts tijdens de finale van het WK 1974 in Duitsland tegen Cruijff. Deze wilde hem volgens Vogts, zijn bewaker, uit de wedstrijd praten, nadat hij het in voetballend opzicht niet bolwerkte. Cruijff bleef maar ouwehoeren, tot Vogts er genoeg van had. We weten hoe het afliep: Cruijff raakte geen bal meer. Het team van ‘Die Lichtgestalt’ won. Het verbale gezwam van Cruijff tegen het vanzelfsprekende succes van Beckenbauer. Elk land krijgt de held die het verdient.