Hou eens op met die onzin

De veronderstelde toppositie van de Nederlandse dans is volgens kenners maar schijn. In werkelijkheid zijn we volledig achterop geraakt.

‘Ik zou wel met een zweep door de dans in Nederland willen gaan.” De Vlaamse dansprogrammeur Marc Goossens zegt het met een licht vermoeide zucht, en hij is de enige niet. De Vlaamse Annemie Vanackere, medeartistiek leider van de Rotterdamse Schouwburg en Productiehuis Rotterdam, bekent dat ze zich van de Nederlandse dans heeft afgekeerd „omdat het me allemaal niet meer zo prikkelt. Er is hier niemand die de gebaande paden mijdt.” Samuel Würsten, directeur van het Holland Dance Festival en de Rotterdamse Dansacademie, formuleert het met enige tegenzin, als: „Er is niemand die hier ooit eens tegen de choreografen zegt: hou nou eens op met die onzin. Soms zit ik een uur lang naar een voorstelling te kijken en dan denk ik alleen maar: is er een dokter in de zaal?”

Buitenlandse programmeurs als Goossens of Michel Didier (Frankrijk) zijn van mening dat wat hier de laatste jaren gemaakt wordt slaapverwekkend en betekenisloos is. En ze hebben gelijk. Want hoewel Nederland massaal de mantra bezingt dat onze dans een internationale toppositie inneemt, concludeert de Raad voor Cultuur in het net verschenen Vooradvies dat de Nederlandse moderne dans ver ondervertegenwoordigd is op internationale festivals. Nederlandse dans, waarvan altijd wordt gezegd dat het zo’n goed exportproduct is, omdat het taalloos is, is in het buitenland minder te zien dan Nederlands toneel, dat wel de taalbarrière moet nemen.

Dat het niet bijster goed gaat met de dans, valt niet te ontkennen. Op veel fronten zijn er problemen. Nederlandse programmeurs vinden moderne dans te ontoegankelijk, zalen blijven leeg. Het aanbod is niet alleen veel groter dan de vraag, het is ook versnipperd en paradoxaal genoeg eenzijdig. Veel gezelschappen zijn gezichtloos geworden; choreografen hoppen van het ene naar het andere gezelschap.

Waar ging het dan allemaal mis? In elk geval niet toen vijftig jaar geleden Rudi van Dantzig en Hans van Manen aan het toneel verschenen. Ook niet toen Jiri Kylián in de jaren zeventig van de vorige eeuw het Nederlands Dans Theater op de wereldkaart zette. Maar deze drie ‘grootvaders’ zijn al decennia het vertrek- en ijkpunt van de Nederlandse dans. Op hun verdienste – en die van Kyliáns erfopvolgers Paul Lightfoot en Sol Léon – drijft de mooie Hollandse reputatie nog altijd. Zij verankerden de dans als serieus te nemen te nemen discipline en met de virtuoze NDT-dansers trekken zij in binnen- en buitenland volle zalen.

Borrelen, bruisen, broeien

en jeuken doet het echter in Den Haag niet meer; Kylián gaf onlangs zelf aan dat het NDT een keurig traditioneel gezelschap is geworden („dat is helemaal niet erg. De tijd van rebellie is voorbij”). Met andere babyboomers als Ton Lutgerink, Amy Gale, Truus Bronkhorst of Pauline de Groot, is er voor vele groepen de weg naar een subsidieparadijs geplaveid. Het bereiken van dat hemels paradijs blijkt echter de dood in de pot. Heaven is a place where nothing ever happens, zongen de Talking Heads al.

Pieter Zeeman, projectmedewerker internationalisering van SICA (Stichting Inter Culturele Activiteiten) zegt erover: „In vergelijking met het buitenland is hier veel geld. Er eten nu alleen te veel mensen uit de ruif. Daardoor heeft iedereen een beetje geld en toch weinig. Dat levert verstarring op.” Creativiteit bloedt dood. Het behouden en binnenhalen van subsidie is een dagtaak geworden; artistieke urgentie en noodzakelijkheid bestaan niet meer. Op uitzonderingen als Itzik Galili, Emio Greco/PC en Krisztina de Châtel na, heeft de dans zichzelf verschanst in een gesloten inrichting, staart nog slechts naar de eigen navel en brabbelt zo verhullend mogelijk onzin aan elkaar.

Neem de welkomsttekst op de website van choreografenduo Leine & Roebana: „De constante afwisseling van veellagig lichamelijk contrapunt, agressieve aanzetten, lijnverbuiging, ambigue eenvoud, visuele complexiteit en organische deconstructie maakt onze bewegingsstijl tegelijk veeleisend en natuurlijk.” Vlaming Marc Goossens zucht nog eens: „Het zweeft bij jullie allemaal te ver boven de begane grond. In Nederland is men onvoldoende op zoek naar wat ik noem het krabben op de maatschappij. Het onderzoek houdt niet meer in dan ‘hoe houd ik mijn arm hoog. Op 30 of 40 graden?’”

Annemie Vanackere deelt

voor het gemak de Nederlandse dans in twee gesloten ‘kampen’ op: de conceptuelen en de vormelijken. „De valkuil bij de conceptuelen van met name een festival als Springdance is dat als je de folder hebt gelezen, je bij wijze van spreken de voorstelling niet meer hoeft te zien. Alsof de zinnelijke ervaring er niet meer toe doet.” De puur vormelijken bakenen de dans echter weer tot weinig anders meer af dan een mooi bewegend lichaam. Een choreografe als Nanine Linning slaagt er volgens Vanackere tot nu toe niet in om de zeggingskracht boven die buitenkant te laten uitstijgen. „Het moet in Nederland allemaal lekker naar binnen glijden. Dans is hier geen totaalervaring, geen open veld. Buitenstaanders uit andere disciplines dringen er niet in door. En juist dat maakt bijvoorbeeld de Belgische dans zo vitaal: daar hebben een orthopedagoog als Alain Platel of een autodidact als Wim Vandekeybus hun kans gekregen en gegrepen.”

Jaap van Baasbank, mededirecteur van het festival Julidans beaamt dit: „Choreografen hier zijn niet nieuwsgierig, ze zien ook zelden iets van over de grens. Het enige wat we in Nederland mooi vinden is beeldende kunst en design. We zijn denk ik meer van de vorm dan de inhoud. Nederland is bovendien geen cultuurminded volk. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, dat hecht aan cultuur, debat en educatie. Buitenlandse programmeurs zijn geschokt als ze zien dat in onze talrijke cultuurpaleizen de cabaretvoorstellingen de boventoon voeren. Nederland heeft een amusementscultuur.”

Als een van de belangrijkste oorzaken ziet Marc Goossens de regulering van de kunst in Nederland. Er wordt op voorhand gezegd aan kunstenaars wat van hen verwacht wordt. „De ene subsidieperiode moeten ze zich richten op multicultureel, dan weer op multimediaal. Daardoor waaien choreografen met alle politieke winden mee. Het worden dossierschrijvers: hun aanvragen schrijven ze naar de hand van de beleidsmakers. Je creëert er een perfecte grasmat voor paniekvoetbal mee.”

Alle geïnterviewden kunnen zich vinden in de analyse van een verlammend subsidiesysteem. Maar Würsten valt ook een gebrek aan ambitie op. Op de vooropleiding in Rotterdam (de 'danshavo') krijgt hij al te maken met wat hij noemt een verwende jeugd; zijn scholieren vinden de opleiding ‘reuzeleuk’ maar van absolute gedrevenheid is geen sprake. „Ik mis hier de drive om naar de top te willen, het killerinstinct. Hier heerst een consensusmodel. Maatschappelijk en sociaal is dat misschien fantastisch, maar als het om kunst gaat is het funest. Ik neem bij audities op de academie zelfs Nederlanders aan die minder goed zijn dan buitenlandse kandidaten. Anders houd ik geen Nederlander over.”

Te lang zijn choreografen volgens Wüsten niet afgerekend op het gebrek aan succes. „Zoiets is en was hier onbespreekbaar. Je was kunstenaar en dus hoefde je aan niemand rekenschap af te leggen. Publiek deed er niet toe. Daardoor heeft de dans zichzelf uit de markt geprezen.” Moderne dans is langzaamaan het stiefkindje onder de kunsten geworden, terwijl het in België juist floreert.

Maar is het bij de altijd bejubelde Vlamingen dan echt zo goed? Sidi Larbi Cherkaoui (Les Ballets C de la B) en Peeping Tom zijn in België de chroniqueurs van de dans, zij vertalen de grote thema’s over liefde, dood, geschiedenis en identiteit in bewegingsvormen met inhoud. Zij verruimen de dans door hiphop met Indiase dans te combineren, tegelijk niet loepzuiver Gregoriaans te zingen, geweldsesthetiek te verheerlijken en echte baby’s ten tonele te voeren. Geen grens is heilig. In België staat het experiment op een hoger plan dan esthetiek.

„De lessen die de Vlamingen tijdens de Vlaamse golf van zo'n dertig jaar geleden hebben geleerd”, zegt Marc Goossens, „is dat we te klein zijn en dus internationale allianties moesten aangaan. We hebben netwerken opgezet. Alain Platel heeft toen hij met Les Ballets C de la B subsidie kreeg, meteen anderen een kans geboden. In Nederland worden jonge choreografen – de humuslaag van de dans – niet gestimuleerd om artistiek en financieel onafhankelijk te zijn.” De grotere Nederlandse gezelschappen zijn geen goed rolmodel, vinden Marc Goossens en Annemie Vanackere.

Is er een uitweg uit de crisis?

Zeker. Openheid, flexibiliteit, internationalisering, moed en vooral kwaliteit zijn de kernwoorden. Er moet durf komen om ingrijpende beslissingen te nemen. Velen hebben het al jaren over de artistiek middelmatige bijdrage van bijvoorbeeld het Scapino Ballet maar zoveel mensen tegelijk ontslaan blijkt telkens een te pijnlijke beslissing. Sociaal beleid wint het van de kunst.

Directeuren van gezelschappen en productiehuizen zouden strenger moeten kunnen selecteren op hun (reis)voorstellingen zodat de mislukkingen niet nog maanden voor lege zalen spelen. De mogelijkheid scheppen om flexibel te programmeren, maakt dat groepen successen kunnen hernemen. Er gebeurt op dat gebied ook al wat want kleine marketinginitiatieven als de Danscombinatie en Dansclick (in één programma gecombineerde ‘hits’) staan garant voor iets goeds.

Goossens, Vanackere, Würsten, Van Baasbank en Zeeman opteren ook voor internationale allianties. Omdat, zegt Vanackere, „alle partners geld bijdragen. Zodat iemand op verschillende plekken een tijd kan werken aan een voorstelling. Alain Platel heeft op die manier bijvoorbeeld een jaar aan zijn VSPRS gewerkt. Incubatietijd is van levensbelang voor kwaliteit.”

Maak het landschap ook diverser en heb de durf om anderen toe te laten: een razend populaire groep als Ish van Marco Gerris bereikt oneindig veel jongeren, heeft inmiddels een eigen opleidingsinstituut en oefent veel maatschappelijke impact uit. De verscheidenheid van de dans moet zich ook profileren met mensen als Emio Greco en Pieter Scholten die internationaal triomfen vieren maar in Nederland nauwelijks een kans kregen.

In het theater pleitte regisseur Johan Simons voor kwaliteit door makers eerst drie voorstellingen zonder subsidie te willen laten maken voor ze überhaupt geld mogen aanvragen. Om theatrale wildgroei te bestrijden. Dat gaat misschien ver maar het zegt iets over de nieuwe tijdsgeest. De danssector moet zich ontdoen van een slaperige ambtenarenmentaliteit en de luiken open zetten.

Op 16 april om 16.00 uur vindt in het Theaterinstituut in Amsterdam een debat plaats over de dans naar aanleiding van het vooradvies van de Raad voor Cultuur. Inl: www.tin.nlFestivals voor jonge choreografen: Springdance Utrecht 18-28 april en Voorjaarsontwaken in Korzo Den Haag 12-14 april.