Hoge Raad wijst claim asielzoeker af

Toegelaten asielzoekers die jaren moesten wachten op een verblijfsvergunning hebben geen recht op schadevergoeding omdat ze in die periode niet mochten werken.

De Hoge Raad vernietigt vanochtend hiermee een uitspraak van het gerechtshof Den Haag. In 2005 kende het Hof een Iraanse vrouw ruim 20.000 euro toe omdat ze vijf jaar moest wachten op een verblijfsvergunning.

De Iraanse vrouw vluchtte in 1994 met haar dochter naar Nederland en kreeg uiteindelijk in 1999 van de staatssecretaris een verblijfsvergunning. Zij vond daarna meteen een baan in een ziekenhuis. Het Hof oordeelde in lagere instantie dat de afwijzing die ze eerder van de Immigratie en Naturalisatiedienst kreeg ‘onzorgvuldig’ waren voorbereid en daarmee onrechtmatig. Het draaide om een ambtsbericht van Buitenlandse zaken waarin haar politieke activiteiten in Iran als niet riskant werden gekwalificeerd. Dat stemde niet overeen met andere ambtsberichten over Iran.

De staat ging daarop in cassatie omdat het vreesde voor een olievlekwerking. Er werden duizenden zaken van toegelaten asielzoekers verwacht, mogelijk ook wegens immateriële schade. Landsadvocaat mr. G. Snijders was vooral bevreesd dat de Hoge Raad een risico-aansprakelijkheid voor de staat zou vestigen. Dat voortaan alle fouten, vertragingen of onterechte weigeringen in een asielprocedure in beginsel achteraf vergoed zouden moeten worden door de staat. Die vrees nam begin januari toe. Advocaat-generaal bij de Hoge Raad J. Spier verwierp in een advies met veel kracht de argumenten van de staat en schaarde zich achter de asielzoeker. Volgens Spier beschermt de vreemdelingenwet en het vreemdelingenverdrag ook de financiële belangen van een vluchteling.

De Hoge Raad stelt dat „het recht om in Nederland betaalde arbeid te verrichten voortvloeit uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten”.

Lees het arrest op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN AZ8751