Hoe Jan Salie toch nog wakker werd

Maartje Janse: De afschaffers. Publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland, 1840-1880. Wereldbibliotheek, 395 blz. €29,90

Een jaar of vijf geleden schreef Maartje Janse in de serie Verloren Verleden een aardig monografietje over de Jan Saliegeest, meer speciaal over Jan Salie als paradigma van de periodieke Hollandse kopzorg over het verval van normen, waarden en welvaart. Door de hele vaderlandse geschiedenis heen had ze de Saliefiguur in allerlei gedaantes en onder wisselende namen zien opduiken als afschrikwekkend voorbeeld voor naties die dreigden in te slapen. Ze was in 2002 net iets te vroeg om ook nog te kunnen verwijzen naar een eigentijdse minister-president, wiens stem tijdens een Kamerdebat bijkans oversloeg van opwinding toen hij de Jan Salies van de oppositie de strijdbare dagen van de Verenigde Oostindische Compagnie voorhield. Reken maar dat op zijn nachtkastje Potgieters parabel van Jan, Jannetje en hun jongste kind stukgelezen naast de Bijbel en de verzamelde poëzie van Jacob Cats ligt.

Had Potgieter overigens gelijk met z’n brave gezeur over het zwak, ziek en misselijk nazaatje van Jan Courage, Jan Compagnie, Jan Cordaat en de overige Jannen die (in de Gouden Eeuw, wanneer anders?) allemaal wél ontzettend zouden hebben gedeugd?

Hij schreef zijn allegorie in 1842, en toevallig is dan net het tijdperk begonnen waarin Maartje Janse blijkens een nieuw boek – haar proefschrift – juist tekenen ontwaart van een nieuw publiek elan, van burgerinitiatieven, en van de groeiende behoefte bij grote(re) bevolkingsgroepen om zich in kwesties van nationaal belang te laten horen.

In de voorafgaande decennia, na het echec van de Bataafse revolutie en de vernedering van de Franse inlijving, was het land langzaam meer zeker ingedut (of had zich, onheldhaftig, slapend gehouden), maar het ogenblik van liberaal ontwaken leek omstreeks 1840 eindelijk aangebroken. De volkslethargie had inderdaad lang geduurd, maar de natie had zich sinds 1795 ook aan ingrijpende veranderingen moeten aanpassen. De door velen zo gehate stadhoudersdynastie uit de dagen van de Republiek was niet verdwenen, maar was nota bene een koningshuis geworden. De burgeroorlog die had gewoed tussen patriotten en Oranjeklanten moest worden verwerkt en ‘geconcilieerd’. Het overwegend katholieke grondgebied van de zuiderburen was op internationaal gezag aan het prille koninkrijk toegevoegd, maar maakte zich er vijftien jaar later ook weer onherroepelijk van los, want de Belgen lieten zich niet intimideren door een paar ‘politionele acties’ uit het noorden. De eerste koning van de herboren staat (Willem I) zou zijn land bovendien, naar het woord van Thorbecke, bonapartistisch regeren.

Tot 1840. Dan begint de periode van De afschaffers, waarin Maartje Janse beweging ziet ontstaan binnen allerlei publieksgroepen die op actuele onderwerpen (drankmisbruik, slavernij, batig- slotpolitiek en cultuurstelsel in Indië, het dagbladzegel, en het begin van wat we ook in 2007 nog altijd als een ‘schoolstrijd’ kennen) schoorvoetend uit de hoek komen.

De verenigingen die op grond van humanitaire, religieuze of andere levensbeschouwelijke beginselen, van zulke uiteenlopende misstanden of maatschappelijke ongerieven af wilden, beperkten zich met hun petities, openbare oproepen en onwennige publiciteit overwegend tot één onderwerp. Ze vertegenwoordigden stuk voor stuk one-issue-bewegingen, die behoedzaam in de openbaarheid opereerden om vooral de schijn te vermijden dat ze ‘politiek’ zouden willen bedrijven.

Die angst was nog een rest van het ‘oorlogs’-trauma uit 1813. In de bevrijdingsproclamatie uit dat jaar heette het niet voor niets: ‘Alle partyschap heeft opgehouden’. De politiek kon beter worden overgelaten aan ‘de aanzienlijken’, en die zouden ook nog lang exclusief de kaasstolp van het Binnenhof blijven bevolken. Pas heel geleidelijk zou het mindere volk (maar natuurlijk nog niet het állerminste) uit zijn schulp kruipen en heel stilletjes een nieuwe, eigen politiek ontdekken.

Janse beschrijf ampel en nauwgezet de activiteiten van de diverse ‘afschaf’-verenigingen. Het interessante is dat op die manier haast ongemerkt zoiets als burgerparticipatie geïntroduceerd kon worden in het land dat nog geen politieke partijen kende – het land van Potgieter.

Maar had de analyse van die ontwikkeling niet wat scherper en wat royaler geschetst kunnen worden? Dat is nog altijd het euvel van dissertaties. Het betrekkelijke gemak, de vrije associaties en de losse hand waarmee Maartje Janse indertijd de geest van Jan Salie schilderde heeft plaatsgemaakt voor de omzichtigheid die bij promoties past.

Voor een bul geeft nog haast elke onderzoeker iets van z’n avontuurlijkheid prijs.