Heer der hooligans

Onder het bewind van de 17de-eeuwse politicus Oliver Cromwell werd alles verboden wat leuk was: toneel, kerstvieren, dronkenschap, dansen. Benno Barnard ging op zoek naar het wezen van deze puriteinse landvoogd.

In de rivier de Cam drijven zwarte zwanen, negatieven van het zwanendom. Dat het geen witte zijn, schrijf ik toe aan de retroactieve invloed van de somberste aller Britse staatslieden, de puritein Oliver Cromwell. Aan de overkant verrijst de kathedraal van Ely in de laaiende zon, een honingraat van zandsteen, waar de hemel zijn stolp overheen heeft gezet. Ik ken Ely: het adjectief ‘beeldig’ vlijt er zich als een kat tegenaan. Een provinciestadje à la Wells of Chichester, met middeleeuwse huizen die schroomvallig hurken rondom het grasveld bij het centrale godshuis. Er staat een groot kanon voor de westelijke deur, die het altaar best wil wegblazen. Maar sinds de Burgeroorlog is hier geen schot meer gelost.

De meningen over Cromwell zijn al eeuwen verdeeld. De filosoof Thomas Hobbes, een tijdgenoot, geloofde als oude man dat het hoogtepunt van de Engelse geschiedenis zich onder de ‘Lord Protector’ had afgespeeld. Begrijpelijkerwijs haten de Ieren hem: in 1649 liet hij ‘de barbaarse ellendelingen’ die de stadjes Drogheda en Wexford bevolkten zo integraal mogelijk uitmoorden. De katholieken in Cromwells geboorteplaats Huntingdon boycotten hem nog in 1999, toen zijn vierhonderdste verjaardag moest worden gevierd. De opinies onder Engelse intellectuelen lopen uiteen. Toen de grootste Brit moest worden verkozen, verklaarde de schrijver Richard Holmes: ‘Ik ben een monarchist, maar ik geloof dat de grootste Brit ooit Oliver Cromwell was, een republikeinse revolutionair die de koning doodde.’ In Ely is er een Association Against the Misrepresentation of Oliver Cromwell.

Wij Barnards verafschuwen Cromwell. In mijn kindertijd leerde ik van mijn vader dat Cromwell het in zwart laken gehulde Dogma van de Totale Troosteloosheid was. De verwerpelijkheid van de staatsman was bij ons thuis een geloofsartikel. Toen ik vele jaren geleden met mijn vader Ely bezocht, raakten we aan de praat met de beheerder van de souvenirshop in het stadsmuseum. We kregen het onvermijdelijk over Cromwell. Het wiel van de tijd wentelde op onze woorden gehoorzaam terug naar de Burgeroorlog. Weldra ontspon zich een waanzinnige discussie.

„Ik kom nu eenmaal uit een familie van Rondkoppen”, zei de beheerder, die ongeveer driehonderd jaar na de onthoofding van Karel I was geboren. „Het koningshuis en de anglicaanse kerk zijn voor mij decadente instellingen.”

„O, vindt u?” Mijn vader snoof als een kwaad paard. „Onze parlementaire democratie hebben we toch maar aan hem te danken.”

„Cromwell heeft het Engelse parlement anders even lam gemaakt als Hitler het Duitse”, zei mijn vader.

Ik ben niet speciaal aan de monarchie gehecht, maar terugdenkend aan die scène ben ik weer geneigd tot wantrouwen tegen republikeinen.

Toen we later voor het grote huis van Cromwell stonden, zei mijn vader: „Ik weiger bij die man over de vloer te komen.” En dus gingen we maar naar de pub, zonder onze aanwezigheid aldaar eerst verdiend te hebben.

Deze keer overschrijd ik de drempel van het puritanisme wel. Een vrijwel geslachtsloze dame, van nature geneigd tot het inschenken van een cuppa, put zich in vriendelijkheid en brochures uit. Ik lees dat er aanstaande zaterdag een zeventiende-eeuwse puriteinse hel-en-verdoemenis-prediking wordt geacteerd in Huntingdon, van 10.30 tot 15.30. De Engelsen blijven de geschiedenis maar overdoen: vanaf de tweede keer is alles gespeeld.

Huntingdon is gelegen

in de Fens, het vlakke land van Cambridgeshire. Cromwell werd er geboren in 1599: Elizabeth I zat al meer dan veertig jaar op de troon, in Londen werden As You Like It en Henry V opgevoerd. Zijn beide ouders stamden uit families die hun land en rijkdom te danken hadden aan de onteigening van katholieke kloosters onder Hendrik VIII. Zijn puritanisme deed hij vooral aan het plaatselijke gymnasium op, en daarbij de fatale bevindelijke overtuiging dat God hem de verklaring van zijn geschriften rechtstreeks influisterde en zijn wil persoonlijk aan hem openbaarde.

Cromwell was een typische squire, een boer met een titel en geld. Hij studeerde weliswaar rechten in Londen, waar hij zijn vrouw Elizabeth ontmoette, met wie hij in een gelukkige echtverbintenis acht kinderen zou krijgen – maar hij verfoeide de hoofdstad, met zijn beau monde, vertier, theaters, ijdelheid, woordenpraal; kortom hij had een hekel aan de stadscultuur. Met het fascisme heeft het puritanisme de verheerlijking van het platteland gemeen.

Zijn vader was parlementslid; Oliver werd dat in 1628 ook. In dezelfde periode had hij een beslissende religieuze ervaring, die hij omschreef als de overgang ‘van het duister in het licht’. Calvinisten en zeker de puriteinen onder hen, geloven in de predestinatieleer, in het horribele decreet dat inhoudt dat God een kleine minderheid onder hen wil redden, volgens een besluit dat voorafgaande aan hun existentie is genomen. Mensen die dergelijke sadistische onzin geloven dienen zich van voortplanting te onthouden – er is immers geen enkele zekerheid dat het door hen verwekte kind niet naar de hel gaat –, maar merkwaardig genoeg is de vrouwelijke schoot in deze kringen onvermoeibaar. Een krachtige religieuze ervaring nu, zoals die van Cromwell, is de manier waarop je jezelf als puriteinse calvo een beetje gerust kan stellen inzake je uitverkiezing.

In 1636 erfde Cromwell grote bezittingen in Ely, waar hij tien jaar zou blijven wonen. Ondertussen werd hij in 1640 – nadat Karel I elf jaar als absoluut vorst had geheerst – lid van het nieuwe Lagerhuis, dat twee jaar later in een openlijk conflict met de koning raakte, over de financiering van een oorlog met Schotland.

De Burgeroorlog is een complex onderwerp. In zekere zin kwam ook in Engeland de hogere klasse tegenover het volk te staan (de scheldnaam Roundheads wijst daar al op: Rondkoppen waren soldaten met kort haar, anders dan de pijpenkrullen van de rijken). Maar de Engelse revolutie miste een revolutionaire ideologie. Zij kende geen Rousseau of Marx. Latere revoluties zouden een toekomstgerichte drie-eenheid propageren: de Fransen eisten vrijheid, gelijkheid en broederschap, de Russen vrede, brood en land. Maar de Engelsen wilden iets ouds: religie, vrijheid en eigendom. Kortom, het was een conservatieve revolutie. En toch zou alles anders worden.

Eén ding is zeker: het hoofd van Karel I werd in 1649 met een bijl van de romp gescheiden. Dat gebeurde buiten Whitehall. De beul heette Brandon. Hij hield het afgesneden stuk koning omhoog en riep: ‘Ziehier het hoofd van een verrader.’ De toekijkende soldaten juichten niet, maar produceerden een collectieve kreun.

In 1653 ontbond Cromwell op zijn beurt het parlement en werd Lord Protector of the Commonwealth: ‘King in all but name’. Na zijn dood volgde zijn zoon Richard hem op, die helemaal niet geschikt was voor de betrekking van zijn vader. In 1660 volgde onder Karel II de restauratie van het koningschap.

Ik dwaal door Cromwells huis:

het staat er meer dan zevenhonderd jaar. Hij heeft er 1/70ste van die tijd gewoond, het is in een pub veranderd, The Cromwell Arms Inn, wat ironischer klinkt dan het was; het is gerestaureerd, tot de rang van museum verheven – maar onontkoombaar heeft zijn voetstap op de houten vloeren weerklonken, zijn adem de zware draperieën beroerd, en voor romantische zielen is dat onweerstaanbaar, magie, elektriciteit, ectoplasma… Helaas! In de sobere, sombere woonkamer zit Mrs Cromwell bij de haard te borduren, een animated model, gehuld in veel zwarte stof. Ze zou met haar hoofd knikken en naar de bezoeker knipogen als dat niet zo onpuriteins was.

In de keuken paradeert het plastic van taarten, schaapsbouten en ronde broden op de tafel; er staat een morose stilleven van fruit uitgestald, strokend met het karakter van de eigenaar, en ginder hangen versgeschoten hazen. Maar dit was toch een puriteinse keuken? Werden die mensen niet geacht op water en brood te leven? Gewoonlijk sla ik in dit soort historische huizen de keuken over, maar hier corrigeert de overvloed iets in mijn denken, het cliché over het calvinistische gebrek aan levensvreugde namelijk. Maar dat wist ik toch? Dat de mannenbroeders in Holland wel een slok lusten?

Wat ik niet wist en nu in mijn literatuur over Cromwell ontdek, is de extreme paradox van de wetgeving onder zijn bewind: je werd niet meer opgeknoopt voor het stropen van een paar hazen of het stelen van een beurs. Alleen moord, verraad en rebellie verdienden volgens het staatshoofd de doodstraf. Maar hij had onvoldoende controle over de door hemzelf in het leven geroepen alternatieve parlementen, die krankzinnige wetten uitvaardigden en alles verboden wat leuk was: toneel, kerstvieringen, vloeken, dronkenschap, dansen in het openbaar... Persoonlijk zag hij de jongelui graag dansen; en hij hield van dobbelen bij een pilsje in de herberg. En hij kroop ongetwijfeld met plezier op zijn Elizabeth.

In de studeerkamer zit de Lord of the Fens achter zijn bureau. Hij draagt hoge laarzen, alsof hij de waterstand vreest, en ziet eruit als een Pilgrim Father. Hij houdt een ganzenveer vast. Hij knikt naar me.

Wat schreef hij zoal? Om maar iets te noemen: een erg kenmerkende brief aan Mr Hitch, de Precentor (voorzanger) van de kathedraal. Cromwell was gekant tegen zoiets frivools als kerkmuziek, en dat liet hij weten ook: ‘Opdat de soldaten niet op een of andere tumultueuze of chaotische wijze de Hervorming van de Kathedrale Kerk trachten te verwezenlijken, verzoek ik u om geheel en al af te zien van uw diensten met koorzang, die zo onstichtelijk en beledigend zijn…’ Hitch negeerde de brief, waarop Cromwells hooligans de cantor en zijn gemeente de kerk uit sloegen. Dat was in 1644. De kathedraal werd net zoals de theaters gesloten, en als de kosten niet zo hoog waren geweest, had Cromwell het monument laten afbreken.

Ik word woedend als ik zoiets lees. Het is het eeuwige verhaal over het stukslaan van kunstwerken, over paarden gestald in kerken, over zuiverheid die leidt tot de bevuiling van wat anderen dierbaar is. Zo is dat met Puriteinen. Ze hebben de pest aan alles wat dit ondermaanse draaglijk maakt. Maar onmiddellijk nuanceert de wetenschap mijn barnardiaanse vooroordeel: Cromwell was niet ongevoelig voor schoonheid. Hij was zelfs dol op seculiere muziek. Het probleem begon waar de categorie van het esthetische in de categorie van het godsdienstige binnendrong. Puriteinen beschouwen schoonheid als iets werelds en dus als een bezoedeling van het hogere.

Wat een onbegrijpelijk denken. Wat een ondoorgrondelijke man. Is het niet eenvoudiger hem als een natuurkracht te beschouwen? Van een storm verwacht je ook niet al te veel kunstzinnigheid.

Hoe Cromwelliaans

is de parlementaire democratie? De puriteinse revolutie – geschraagd door het priesterschap van alle gelovigen en Calvijns notie van de gerechtvaardigde tirannenmoord – heeft zeker bijgedragen aan onze huidige opvattingen over de verhouding tussen burger en overheid. Maar je kunt niet tegelijkertijd geloven dat weinigen zijn uitverkoren en velen het voor het zeggen moeten hebben. In Europa is het pure calvinisme als politieke stroming dan ook tamelijk snel uitgebloeid, met Nederland als folkloristische uitzondering. Om dezelfde reden kon een andere puriteinse leer niet blijven duren: het bolsjewisme. Alleen in de slecht werkende Amerikaanse democratie zijn nog altijd weinigen uitverkoren en hebben nog altijd weinigen het voor het zeggen.

Cromwells einde was treurig. Hij stierf in 1658 in Whitehall, vlak bij de plek waar Karel I zijn hoofd had verloren. Een paar maanden eerder was zijn geliefde dochter Betty gestorven. Zijn lichaam werd gebalsemd en in het geheim begraven; tien dagen later volgde een pompeuze staatsbegrafenis in Westminster Abbey, waarbij hijzelf in effigie aanwezig was, in de gedaante van een wassen pop.

Onder Karel II werden de parlementaire leiders berecht die het doodvonnis van Karel I hadden getekend. Van de achtentwintig beschuldigden werden er tien opgehangen, van hun ingewanden ontdaan en gevierendeeld; de rest kreeg levenslang. Drie leiders waren inmiddels overleden, onder wie Cromwell. Deze drie werden uit hun graf gehaald en postuum geëxecuteerd. De gebalsemde Cromwell werd opgehangen; zijn hoofd werd op een piek geprikt en bovenop Westminster Hall tentoongesteld. Daar bleef het jaren wiebelen. Tot het op de grond viel en een soldaat het opraapte. In 1989 claimde een mevrouw Grantham in een brief aan The Times dat ze het hoofd ooit in handen had gehad – als het het was – en dat het later begraven was in Cambridge.

Maar dit alles is historische anekdotiek. Wat me werkelijk trof in de pagina’s die ik over hem las, was het feit dat Cromwell bij leven en welzijn voortdurend gekweld werd door depressies en twijfels. Dat klopt niet met ons gangbare beeld van hoe een fundamentalist in elkaar zit. Het maakt hem tot een hedendaagse figuur, wat iets vaag verontrustends heeft. Is Cromwells angst voor de predestinatie, die hij ondanks zijn religieuze ervaring wel degelijk kende, niet verwant met onze angst voor onze eigen bestemming? Gaan wij soms niet naar de hel, die van het Niets namelijk?