Een verfrissende graal

Chrétien de Troyes: De Graal. Vertaald door Ard Posthuma. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 367 blz. €19,95

Het verhaal over de heilige graal was een hersenspinsel van de beroemde Franse dichter Chrétien de Troyes (1135-1183). Spirituele speculanten hebben gesuggereerd dat De Troyes het graalmotief heeft ontleend aan voorchristelijke bronnen, hoewel deze nooit ontdekt zijn. Onder meer door Wagners opera Parsifal is de graallegende verbonden geraakt met religieuze begrippen in grootkapitaal: Verlossing, Verheffing en Extase. Uit Ard Posthuma’s vertaling van De Troyes’ De Graal blijkt echter dat de eerste op schrift gestelde versie van de legende een ironische speelsheid bezit, die in veel latere bewerkingen is verdwenen.

Na De Troyes’ dichtwerk is een hele lappendeken van teksten over de graal ontstaan, variërend van het dichtwerk Parzifal van de Duitse schrijver Wolfram von Eschenbach (ontstaan 1200-1210) tot Dan Browns reli-thriller The Da Vinci Code uit 2003. Het graalmotief lijkt in de loop van de geschiedenis alleen maar aan populariteit en spirituele betekenis gewonnen te hebben.

Een reden voor het in zoveel teksten uitgesponnen mysterie van de graal is, zoals zo vaak, te vinden in wat De Troyes’ De Graal juist níet is. De dichter heeft het werk, waarschijnlijk door zijn vroege dood, nooit voltooid. Net voor het vermoedelijke einde breekt het verhaal plotseling af. Veel schrijvers hebben aan deze lokroep van de leemte gehoor gegeven. Ook Posthuma zelf heeft aan zijn vertaling een indrukwekkend einde van het avontuur toegevoegd.

Over het leven van De Troyes is weinig bekend. De dichter is vooral bekend geworden door zijn Arthurlegenden, waar De Graal onderdeel van uitmaakt. In De Graal zijn twee verhalen met elkaar verweven: de ontwikkeling van de kwajongen Percifal tot ridder en de avonturen van Gawan, een gevestigde ridder van koning Arthurs Ronde Tafel. Deze twee hoofdpersonen zijn elkaars tegenpool. Terwijl Percifal het verhaal binnentreedt als egocentrische en hongerige schelm, staat Gawans morele superioriteit nergens ter discussie. Percifals persoonlijkheid bezit daarom een spanning die Gawan mist. Maar door Gawans karaktervastheid komt in de beschrijvingen van zijn avonturen de grilligheid van de wereld sterk naar voren. Met ironische distantie schildert De Troyes in deze passages de inconsequenties van de middeleeuwse maatschappij.

Het brandpunt van het verhaal blijft echter Percifals transformatie. De nog naamloze jongen haalt het aan het begin van het verhaal in zijn hoofd om ridder te worden. Als hij van huis wegrijdt laat hij zijn verdrietige moeder voor dood achter. Na veel omwegen komt hij uiteindelijk in de graalburcht terecht. Tijdens het banket ziet de jongen hoe een lans waar bloed uitvloeit en de graal voorbij worden gedragen. De ‘schuld’ die hij al ten aanzien van zijn moeder droeg, wordt naar een mystiek niveau getrokken als de jongen verzuimt nadere inlichtingen over deze toch opmerkelijke attributen in te winnen. Later blijkt dat hij het rijk op die manier voor verval had kunnen behoeden, maar dat de schuld aan zijn moeder zijn tong had verlamd. Door de schok die dit inzicht teweeg brengt, herinnert de jongen zich eindelijk zijn naam: Percifal. Op deze manier worden zijn identiteit, de graal en (de herinnering aan) zijn moeder in De Troyes’ werk met elkaar verbonden.

Hoewel de meer dan negenduizend verzen de lezer aanvankelijk wat afschrikken, vlieg je door Posthuma’s vertaling heen. De ironie van de verteller komt in de versvorm uitstekend tot uiting. Telkens wordt de lezer op het verkeerde been gezet; bij De Troyes bevatten zij altijd een meerduidige werkelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer de jonge Percifal voor het eerst een ridder ziet: ‘Meneer, bang ben ik nergens van, / zowaar ik geloof in God de heer. / Maar bent u God?’ / ‘Het spijt me zeer!’ ‘Wie dan?’ / ‘Een ridder, zo je ziet.’ / Wat, ridders, nou die ken ik niet,’. Het verhaal is doorspekt met zulke dialoogjes, die door hun humoristische puntigheid de afstand van ruim 800 jaar makkelijk overbruggen.

Na het eeuwen te hebben moeten stellen met de echo’s van de oorspronkelijke legende, biedt Posthuma ons de verfrissende bron. De Troyes’ werk is de graal een stille kracht, waar de wereld – ongemerkt maar onmiskenbaar – in kleurrijke details omheen roteert.