Doelwit en springplank

Noord-Afrika en Europa hebben eergisteren een niet mis te verstane waarschuwing gekregen. Al-Qaeda liet met twee brutale aanslagen in Algerije weer eens van zich horen en gaf er als boodschap bij dat het de ambitie heeft elke vierkante meter islamitisch land van buitenlandse krachten te bevrijden. Inclusief Al-Andalus, het Spaanse Andalusië, dat met het middeleeuwse kalifaat van Córdoba lange tijd Moorse overheersing kende. In Spanje en Frankrijk, dat een koloniale band met Algerije had en waar talloze afstammelingen van de pieds-noirs wonen, gold meteen de hoogste staat van paraatheid. Voor Noord-Afrika kan 11 april 2007 – wéér een elf in de datum – een nieuw ijkpunt zijn: de dag dat de Maghreb doelwit werd van het gehergroepeerde islamitische terreurnetwerk.

Drieëndertig mensen kwamen woensdag in Algiers om en 222 raakten gewond bij zelfmoordaanslagen, uitgevoerd voor het kantoor van de Algerijnse premier en nabij een politiebureau. De aanslagen werden opgeëist door ‘Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb’. Deze groep liet tevens weten dat de zelfmoordenaars die een dag eerder in Casablanca in Marokko, voorzien van bomgordels, de dood vonden bij een politieactie, leden van de organisatie waren. Die is tot stand gekomen door het recente samengaan van Al-Qaeda en de eind jaren negentig in Algerije opgerichte Salafistische Groep voor Prediking en Strijd. Nomen est omen.

Deze dodelijke en naar te vrezen valt effectieve combinatie van fanatiekelingen heeft woensdag een feit geschapen waar niemand omheen kan. Algerije, Marokko en Tunesië zijn vanaf nu doelwit en springplank van het islamitisch terrorisme.

Dit heeft verregaande consequenties voor de regio en, zoals gezegd, voor Spanje en Frankrijk. Maar ook in Nederland moeten de alarmbellen gaan rinkelen. Het jihadisme leeft onder een beperkt aantal Nederlands-Marokkaanse jongeren. De stap naar georganiseerde terreur namens de Al-Qaeda-branche in de Maghreb hoeft niet groot te zijn. Kortom, na het ontstaan van dit front is waakzaamheid ook hier geboden.

Wat valt er tegen te doen? Om te beginnen zullen landen als Algerije en Marokko zelf met passende maatregelen moeten komen. De Algerijnse staat, zo liet een vastberaden premier Belkhadem na de aanslag op zijn hoofdkwartier weten, zal met alle mogelijke middelen de terroristen aanpakken. De parlementsverkiezingen op 17 mei gaan gewoon door. Dat klinkt geruststellend, maar niemand in Algerije is vergeten waartoe in de jaren negentig een eerdere strijd tussen de staat en de moslimextremisten leidde – tot vele tienduizenden doden en verdwijningen. Dit keer zullen doel en middelen beter met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

Verder is het van groot belang dat de Europese Unie en afzonderlijke lidstaten als Spanje, Frankrijk en Nederland intensiever gaan samenwerken met de Maghreb-landen op het gebied van de terreurbestrijding. Nieuw is dit niet; sinds ‘9/11’ zijn de relaties al sterk geïntensiveerd. Maar nieuwe feiten nopen tot nieuwe daadkracht. Het gemeenschappelijk belang is overduidelijk.