Deftig, moedig, anders

Hij gaf homoseksuelen in Nederland voor het eerst een stem, een zelfbewustzijn en een groepsgevoel. Zijn emancipatiewerk speelde zich vooral af achter de schrijftafel.

Theo van der Meer: Jonkheer mr. Jacob Anton Schorer (1866-1957). Een biografie van homoseksualiteit. Schorer Boeken, 438 blz. € 28,50

Achteraf is het een komisch misverstand, maar op het moment zelf, in 1919, moet de student met geheime homoseksuele neigingen even wit om de neus geworden zijn toen hij tussen zijn post een zending ontdekte met materiaal dat geheel en al gewijd was aan mensen zoals hij. Hoe was dat mogelijk? Hoe wisten ze dat ze daarmee bij hem aan het juiste adres waren? De student raapte zijn moed bijeen, klom in de pen en luchtte zijn eenzame hart tegenover de afzender, om niet lang daarna een vriendelijke brief terug te ontvangen. Van ‘het anders-zijn’ van de student had de schrijver volstrekt niets geweten: het ontvangen materiaal was aan alle studenten verstuurd om hen te informeren en hun interesse voor het onderwerp te wekken.

‘U zult nu spijt hebben, dat U mij Uw geheim hebt medegedeeld’ stond er verder, ‘maar weest U er in ieder geval van overtuigd, dat geen ander daarvan zal hooren.’ Volgden nog bemoedigende woorden, die de student konden sterken bij zijn innerlijke strijd. Ook bij de schrijver had het lang geduurd voor hij begreep wat het was ‘wat mijn hart in vlam zette voor een jongeling, terwijl ieder meisje me koud liet’. Maar hij wist inmiddels dat hier geen psychisch defect aan ten grondslag lag en dat er geen reden was zich minderwaardig te voelen of te schamen.

Dit contact groeide uit tot een jarenlange vriendschap en correspondentie. De student was Jaap van Leeuwen, later een van de oprichters van het COC. De man door wie hij gekend meende te zijn, was jonkheer mr. Jacob Schorer, voorvechter van de homo-emancipatie in Nederland van wie onlangs een zeer lezenswaardige biografie verscheen van de hand van Theo van der Meer, die eerder vooral publiceerde over homoseksualiteit in de 18de eeuw.

Schorers leven liep anders dan gepland. Afkomstig uit een deftig Zeeuws gezin leek hij na zijn rechtenstudie in Leiden af te stevenen op een loopbaan in de magistratuur. Maar aan dat perspectief kwam abrupt een einde toen hij in 1903 in zijn woonplaats Middelburg onder verdenking kwam te staan van ontucht met een minderjarige jongen. In het onderzoek dat volgde, werden geen strafbare feiten geconstateerd, maar werd wel vastgesteld dat Schorer een man was ‘van zeer onzedelijke neigingen’. Zijn carrière kon hij verder vergeten.

Zijn nieuwe bestemming vond Schorer in Berlijn, het homoseksuele Mekka van die dagen en tevens de thuisbasis van de seksuoloog Magnus Hirschfeld, oprichter van de eerste homo-organisatie ter wereld. Schorer sloot zich aan bij dit Wissenschaftlich-humanitäre Komitee en volgde ook Hirschfelds aanpassingstherapie, die erop gericht was de deelnemers te leren zichzelf als homoseksueel te aanvaarden. Schorer zou zijn leven lang een fervent aanhanger blijven van Hirschfelds wetenschappelijke theorie, waarin homoseksualiteit werd opgevat als een speling der natuur en een aangeboren afwijking. Naast mannen en vrouwen vormden homoseksuelen volgens Hirschfeld een ‘derde geslacht’, een ‘sexuelle Zwischenstufe’ (tussenvorm) die nog voor de geboorte onder invloed van klierwerking ontstond.

Die ideeën doen nu gedateerd aan, maar waren destijds baanbrekend. Ze rekenden af met bestaande opvattingen waarin de gelijkgeslachtelijke ontucht werd voorgesteld als de morele afvoerput onderaan het hellende vlak waarop iedereen zich begaf die zwichtte voor seksuele verleiding en overmatige zinnenprikkeling. Als homoseksualiteit daarentegen een aangeboren variatie was, zoals Hirschfeld stelde, viel er weinig meer te veroordelen en hadden homoseksuelen recht op begrip en een menswaardige behandeling.

Terug in Nederland werd de homoseksuele zaak waarvoor Schorer wenste te strijden hem bijna op een presenteerblaadje aangeboden toen in 1911 een herziening van de zedelijkheidswet werd doorgevoerd. Tot dan toe waren seksuele contacten, van welke soort dan ook, tussen volwassenen en minderjarigen onder de zestien strafbaar geweest, maar in een nieuw wetsartikel (248bis) werd nu de grens voor homoseksuele contacten opgetrokken tot 21 jaar. Een duidelijk geval van rechtsongelijkheid. Tweeërlei maat, zo heette dan ook de eerste brochure die Schorer in reactie hierop het licht deed zien en die het begin markeert van zijn levenslange streven naar gelijkberechtiging.

Schorer en het door hem opgerichte Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee gaven homo’s voor het eerst een stem, een zelfbewustzijn en een groepsgevoel. Hij voorzag belangstellenden van informatie, zond zijn brochures en jaarverslagen ongevraagd rond (onder andere dus aan alle eerstejaarsstudenten) en gaf hulp en advies aan de velen die zich met hun zorgen en verlangens tot hem wendden. Hij correspondeerde met hen, bemiddelde bij problemen en bracht hen in contact met gevoelsgenoten. Dat deed hij allemaal zelf. Het emancipatiewerk vóór de Tweede Wereldoorlog speelde zich voor een niet gering deel af achter Schorers schrijftafel, schrijft Van der Meer terecht.

Als biograaf heeft Van der Meer het niet gemakkelijk gehad. Schorer zelf lijkt een weinig uitgesproken figuur te zijn geweest, die er voor alles op uit was om verdeeldheid in zijn achterban te voorkomen en zich om die reden vaak nog eens extra op de vlakte hield. De bronnen die zijn persoon meer kleur en reliëf hadden kunnen geven, ontbreken. Er is één uitgebreide maar vrij zakelijke correspondentie bewaard gebleven (de brieven van Schorer aan Jaap van Leeuwen); vrijwel al het andere materiaal dat licht op zijn persoon had kunnen werpen, is er niet meer. In de meidagen van 1940 heeft Schorer zijn archief met alle adreslijsten en correspondentie zelf aan de vlammen prijsgegeven. Dat was een verstandig besluit: nog geen maand later stonden de nazi’s bij hem op de stoep. Zijn fameuze bibliotheek met tweeduizend titels werd in beslag genomen en is na de oorlog nooit meer teruggevonden. Schorer zelf werd tijdens de bezetting ongemoeid gelaten.

Met de leemte die door de archiefvernietiging is geschapen heeft Van der Meer zichtbaar geworsteld. Hij heeft haar voornamelijk gecompenseerd door in algemene termen in te gaan op de vooroorlogse homoseksuele identiteitsontwikkeling waarvan Schorer zelf als geen ander de belichaming vormde. Hij doet dat vakkundig, maar het blijft eeuwig te betreuren dat in deze wordingsgeschiedenis het algemene en historische noodgedwongen zo vaak de plaats inneemt van het bijzondere en persoonlijke.