De wraak van het vervangkind

In een van de gedichten van Hendrik de Vries komt een kind langs een groot huis dat door de mensen een pakhuis wordt genoemd. Het kind spreekt er met veel ontzag over. Een pakhuis, daar kun je maar beter niet te dicht bij komen. Want een pakhuis is een huis dat jou wil pakken. Of, dat kan ook, er wonen enge mensen in: de pakkers die jou willen pakken. ‘Daar is dat oppakkershuis, o wee. / Daar durf ik nooit aan de ramen tikken. / Dat is een huis voor de dieven: daar pikken / ze zomaar de kinder / op van de straten.’ Het is een typisch geval van kinderfantasie, gemengd met kinderschrik, over de grote vreemde buitenwereld met al die vreemde dingen erin en al die vreemde woorden ervoor. Voor de kinderlijke spreker, in de eerste persoon enkelvoud, in de tegenwoordige tijd, is het allemaal even waar en even bedreigend.

Zo is het ook met de spreekster in een kindergedicht van Ida Gerhardt. Het begint zo: ‘Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad, / ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden’. Zoals het hoort bij een kind wordt het engste het eerst genoemd. Wat is een brandersstad? Een stad waar altijd branden uitbreken, of een stad waar brandstichters wonen? Of misschien nog wel onheilspellender: een brander zou ook een man kunnen zijn die anderen komt branden, in het bijzonder kinderen. En die stad vol vuurgevaarlijke boemannen is dan, ten overvloede bijna, ook nog eens zwart. Het is de vraag of het kind weet dat met die benaming Schiedam bedoeld is, de stad van de jenever- en de brandewijnbranders en van de vele stokerijen. Het gezin Gerhardt verhuisde in juni 1908 van Gorkum naar Schiedam. Ida was toen net drie jaar oud.

Aan dit vertrek naar de zwarte stad gaat eerst nog een tochtje naar de bloeiende uiterwaarden vooraf. De moeder neemt haar dochtertje nog één keer mee naar deze lieflijke plek. Zo beleeft het kind dat: ‘Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had; / een veulentje stond bij de grote blonde paarden’. Idyllischer kan het niet. Een wollig schaap – dat is al bijna een pleonasme. Een schaap met lammetjes bovendien. En die lammetjes zijn dan ook nog eens wit, in een scherp contrast met de zwarte brandersstad. En dan zijn er bij het schaapje en de lammetjes ook nog paarden, blonde paarden nog wel, en er hoort zelfs, om het paradijsje af te ronden, een veulentje bij. Moederdieren, jonge dieren, bescherming, troost.

Het dochtertje ziet het in haar onschuld allemaal aan, en wij door haar ogen ook – om dan des te heviger getroffen te worden door het vervolg: ‘Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok’. Wat gebeurt daar? We kunnen het alleen maar beleven via de woorden van het meisje, en dat kan alleen maar vertellen wat ze zelf beleefd heeft: de moeder trekt haar kind mee naar het water van de rivier. In de onschuldige sfeer van voorjaar, weids landschap, wollige dieren en moederlijke geborgenheid dient zich ineens een gevaar aan, en wel van de meest onverwachte kant: het is de moeder zelf die haar dochtertje bedreigt. Met wat? Het hoort bij dit soort kinderervaringen dat de bedreiging onbenoemd blijft, net als in een nachtmerrie, of een gruwelsprookje. Er hangt levensgevaar in de lucht, dat is zeker. Wil de moeder haar dochter verdrinken? En zichzelf erbij?

Het kind ruikt onraad, het moet gekrijst en tegengestribbeld hebben, en moeder moet zich toen hebben bedacht. Wij lezen alleen dit: ‘Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide’. Moeder en dochter keren weer terug. Dan volgt de mooiste regel: ‘Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.’ Alle verwarring en alle schrik zit erin. ‘Wit’ roept nog even het wit van de witte lammetjes op, en ook het zwart van de brandersstad. Het kan verwijzen naar de kleur van de kleding van de moeder, of naar het felle zonlicht. Mogelijk zullen sommige lezers denken aan ‘witheet’: de moeder kan die ochtend bezocht zijn door een aanval van redeloze drift, of zij was woedend om het mislukken van haar boze plan. Of is zij juist wit van angst, bleek van schrik – om wat zojuist, in welke duivelse opwelling dan ook, in haar gevaren is?

Het kind kan niet anders dan maar achter haar aanlopen en, letterlijk, aan haar rokken gaan hangen – wrange toespeling op de uitdrukking ‘aan moeders rokken hangen’, gezegd van kinderen die niets liever willen dan altijd maar dicht bij hun lieve moesje blijven. Wat moet dit kleine meisje anders, drie jaar oud, op die dijk bij Gorkum? Zij is nu eenmaal volledig afhankelijk van de moeder, ook al heeft die haar zojuist de dood in willen sleuren. Slotregel: ‘Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide’.

In de magische wereld van een kind worden heel andere waarnemingen gedaan dan door volwassen buitenstaanders. Misschien was deze moeder alleen maar wat ongeduldig en trok ze haar kind mee toen het wat al te lang wilde blijven stilstaan bij het lammetje en het veulentje. En misschien moest het kind toen al huilen, klonk er even een norse grauw, werd moeder boos – en misschien werd dat door het kleine kind allemaal heel anders begrepen, of uitvergroot, of misschien veel later pas in de herinnering verbonden met een andere angst, de angst voor water bijvoorbeeld. Wie zal ooit kunnen zeggen wat de werkelijkheid van zo’n kinderherinnering is?

Ida Gerhardt heeft zich nooit erg vleiend over haar moeder uitgelaten. Zij lijkt iemand te zijn geweest die het leven niet goed aan kon: een ontevreden, onrustige, onzekere en liefdeloze vrouw, die weinig op had met haar tweede dochter. Gerhardt heeft deze afwijzing zelf in verband gebracht met de dood van een eerder kind, een jongen die maar één dag oud heeft mogen worden. Zij was niet meer dan een vervangkind, zo voelde zij dat, en zij had bovendien een jongen moeten zijn. Haar geboorte was dan ook nog eens heel zwaar geweest, waardoor moeder bijna het leven had gelaten in het kraambed. Dit zou dan weer bij de moeder de behoefte hebben gewekt om haar dochter iets aan te doen. Het is een gruwelijke autobiografische achtergrond, bij een gruwelijk gedicht. Zou het waar zijn? Niemand zal het ooit weten.

Het is ook mogelijk dat deze achtergrond verzonnen is door de dichteres zelf, die net als haar moeder wat onevenwichtig was. Ben Hosman, die haar lang heeft gekend, vertelde in 1994, toen ze nog leefde: ‘Waarschijnlijk heeft die moordpoging van haar moeder, die ze zo dramatisch in ‘Kinderherinnering’ beschrijft, zich ook alleen in haar geest afgespeeld. In haar werkelijkheid, niet in realiteit. Ze leeft in een bedreigde wereld’. Als het waar is, dan beschrijft dit gedicht niet de moeder die haar eigen kind iets wil aandoen, maar omgekeerd: de dochter die haar moeder iets wil aandoen. Die verklaring is zo mogelijk nog naargeestiger dan het gedicht zelf. Wat wij zien is niet de werkelijkheid, maar een spiegel van onze eigen wanen. Wat wij willen bestrijden bevindt zich niet buiten ons, maar zit in onszelf. Zou het waar zijn?