De Vonnegut die Vonnegut liever niet wilde zijn

Een leven lang streed de woensdag overleden Kurt Vonnegut tegen het etiket ‘science-fictionschrijver’. Desondanks was hij een wegbereider voor het genre.

Was Kurt Vonnegut een sciencefiction-schrijver? De iconische held van de tegencultuur, die woensdag op 84-jarige leeftijd is overleden, beweerde zelf van niet. Maar dat klonk niet overtuigend, al deed hij zijn best. Zoals in een artikel in The New York Times Book Review, waarin hij ooit zijn verbazing (en schok) beschreef vanwege dat het feit critici hem als sciencefiction-auteur boekstaafden. Dat stempel kreeg hij al na verschijning van zijn debuutroman Player Piano (1952), een anti-utopische satire, geïnspireerd op zijn werk bij General Electric. De pianola uit het boek was een metafoor voor de op hol geslagen machinerie, door de mens in leven geroepen, maar onhanteerbaar geworden. ‘Ik ben sindsdien,’ aldus Vonnegut, ‘een ongewillige bewoner van de sciencefiction-lade geweest, en ik wil eruit, vooral omdat veel recensenten die lade abusievelijk aanzien voor een urinoir.’ Na zijn doorbraak met de anti-oorlogsroman Slaughterhouse-5 distantieerde hij zich publiekelijk van zijn vroegere classificatie. Zoals Brian Aldiss, de Grand Old Man van de sf, schreef: ‘Vonnegut racete het métier uit, zodra hij geld had voor benzine’.

Player Piano werd gevolgd door The Sirens of Titan (1959), waarin Vonnegut zijn eerste scherts-religie introduceerde: ‘The Church of God the Utterly Indifferent’. De roman speelt deels op Titan, waar een Tralfamadoriaan berichten ontvangt van zijn thuisplaneet, en de menselijk geschiedenis manipuleert. Cat’s Cradle (1963) toont de botsing tussen de filosofie van een wetenschapper die het wereldbedreigende ‘ice-nine’ heeft ontwikkeld, en de schertsreligie Bokonisme, die de mens moet afschermen van de harde werkelijkheid. Ja, zelfs Slaughterhouse-5 riekt, met een hoofdfiguur die los komt van de tijd en te gast is op de planeet Tralfamador, naar sf. Hoe geloofwaardig is dan de flaptekst: ‘Ooit ten onrechte getypeerd als sciencefiction-schrijver, wordt Vonnegut nu gezien als een mainstream verhalenverteller, gefascineerd door de tragische en komische mogelijkheden van machines’?

De redenen voor Vonneguts gruwel waren eenvoudig: geld, literair aanzien, het bereik van zijn boodschap. Sciencefictionbladen betaalden vijf dollarcent per woord, romans hadden kleine oplagen en brachten hooguit een paar duizend dollar op. De familieman Vonnegut was groot geworden met een sterke drang tot kostwinnerschap. Die kon hij kwijt in de échte literaire wereld waar hogere woordprijzen, hogere oplagen, filmrechten en voorschotten lonkten. Bovendien: een ambitieuze schrijver die zich in het sciencefiction-getto ophield, werd bijna automatisch ingedeeld bij literair uitschot. En daar kon slechts een specifiek publiek kennis nemen van zijn boodschap

Vonneguts boodschap was er een voor héél Amerika en werd samengevat door Eliot Rosewater, de sciencefiction-fanaat uit God Bless You, Mr. Rosewater (1965). ‘Hallo, baby’s. Welkom op Aarde. Het is heet in de zomer en koud in de winter. Ze is rond en nat en overbevolkt. Met wat geluk, baby’s, hebben jullie hier honderd jaar. Er is maar één regel die ik ken, baby’s – „Verdomme, je moet aardig zijn.” ’

Rosewater, een simpele ziel met goede bedoelingen, en Vonneguts geregeld opdravende alter ego, de obscure sf-schrijver Kilgore Trout, bleven sympathie voor het genre verraden. En Vonneguts literaire pretenties ten spijt, waren ook latere romans een mix van mainstream en sciencefiction. In het post-apocalyptische Slapstick (1976) krijgt Vonneguts humanisme vorm in een experiment met de het gezin en de familie. Galapagos (1985) is eveneens een post-apocalyptische fantasie, verteld door een overlever van een catastrofe.

Vonneguts werk werd door sommige literatuurcritici verguisd vanwege zijn maniërisme, de babbeltoon, de gebrekkige karaktertekening en -ontwikkeling, en de sciencefictionsjablonen. Ze noemden hem een stripboekfilosoof, een holle aforist. Achteraf gezien was dat vooral een indicatie van een bekrompen opvatting van wat literatuur is en vermag. Vonneguts bedoelingen waren eerder politiek dan dramatisch, maar vaak werd hij niet op zijn merites beoordeeld.

Ironisch genoeg is een van zijn grootste merites, dat hij wegbereider is geweest voor de sciencefiction. Vonnegut was de eerste schrijver die erin slaagde consequent sciencefiction-elementen te verweven in romans die door de mainstream werden opgemerkt. Tegenwoordig een gangbare praktijk, die Vonnegut zelf voorzag in zijn beschouwing in The New York Review of Books.

Vonnegut had gelijk en ongelijk door te zeggen dat hij geen sciencefiction-schrijver was. Hij had gelijk, omdat hij voor alles een schríjver was, met bedoelingen waarvoor hij indien nodig elementen uit het sf-genre aanwendde. Zijn thematiek was het verval van Amerika, de waanzin van de oorlog, de noodzaak van humanisme. Hij had ongelijk omdat ook menig sciencefiction-schrijver uiteindelijk gewoon schrijver is, met literaire thema’s. Maar dat was een ongelijk in commissie – omdat het grootste ongelijk lag bij de kritiek, die per definitie weigerde een sciencefiction-roman serieus te nemen.

Daar is verbetering in gekomen, al wordt zelfs nu in Vonneguts necrologieën nog gewag gemaakt van de ‘onterechte’ kwalificatie van zijn werk als ‘sf-romannetjes’, enkel omdat zijn thema’s groter literair gewicht zouden hebben. Die bekrompenheid dwong Vonnegut tot een verraad dat hij met de mond beleed, al vertelde zijn werk vaak een ander verhaal.

Meer over het overlijden van Kurt Vonnegut op www.nrc.nl/boekenblog