De grote ontregelaar achter het masker

Louis Paul Boon maakte van de legendarische schelm Jan de Lichte een anarchist. Voor wie de vrouwen, Boons heerlijke vrouwen, fataal bleken.

Louis Paul Boon: De bende van Jan de Lichte & De zoon van Jan de Lichte. Verzameld werk deel 8. De Arbeiderspers, 426 blz. € 25,–

Bbandietenleider Jan de Lichte was een veelvoudig moordenaar en een nietsontziende rover, die graag opschepte over zijn daden. Hij was al een veelbesproken man toen hij in 1748 werd geradbraakt op de markt van Aalst. Na zijn dood gingen de verhalen een eigen leven leiden, het volk zag hem graag als de rebel die het opnam tegen de gevestigde orde. In de 19de eeuw leidde dit tot enkele spannende volksboeken. Het waren deze boeken die Louis Paul Boon (1912-1979), bijna een halve eeuw geleden, inspireerden tot zijn eigen schelmenroman.

Het Vlaanderen van de eerste helft van de 18de eeuw was nog bedekt met uitgestrekte bossen. De landstreek is dan al bijna twee eeuwen onafgebroken het toneel van oorlogen, plunderingen en bezettingen; jaar na jaar slaat de veepest toe, mislukken oogsten en ontvlucht het volk dorpen en boerderijen voor steeds nieuwe golven vreemde soldaten. Honderdduizenden mensen zijn soms al generaties op drift, en trekken als bedelaars, dieven en landlopers langs de wegen. Het is onder deze uitgehongerde massa’s, dat Jan de Lichte zijn bende rekruteert. Bij Boon verwoordt hij het aldus: ‘Wij, landlopers, dieven en messenvechters, zouden meer moeten verenigd leven. Wij kunnen de schout , het gerecht, de beulen, de Franse soldaten weerstaan, als we allen samen sterk worden. Als ene voor allen leeft, en allen voor ene. Als ieder voor zich zelf sluw is, en wij allen samen sterk blijven. […]’

Hier, dat is duidelijk, spreekt een vroegmoderne wereldverbeteraar. Maar was de historische Jan de Lichte echt zo’n romantische idealist?

Boon baseerde zich op de oorspronkelijke processtukken, en daar zaten in die eeuw, de laatste van het Ancien Régime, nog geen psychologische profielen en karaktergetuigenissen bij. Verhoorders vertrouwden op de folterwerktuigen die tot hun beschikking stonden, en daardoor kunnen we de bekentenissen nauwelijks serieus nemen. Wij zullen het dus nooit weten, maar daar gaat het ook niet om in de boeken van Louis Paul Boon.

De oorsprong van de schelmenroman plaatst men wel in de 16de eeuw. Bekende voorbeelden zijn Der abenteuerliche Simplicissimus Teutsch (1668) van H.J.C. von Grimmelshausen, Candide (1759) van Voltaire en The Luck of Barry Lyndon (1844) van Thackeray. Meestal gaat het in deze boeken om een held uit een lager milieu, die, gewapend met aangeboren sluwheid, de confrontatie aangaat met een onderdrukkende of onrechtvaardige wereld. De taal is vaak volks en humoristisch, de held bedient zich voor zijn listen graag van vermommingen en valse persoonlijkheden.

Jan de Lichte is hierop geen uitzondering. Hij verschijnt pas rond bladzijde 40, voordien horen wij zijn naam alleen noemen door bijfiguren. Zoals het een goede schelm past, draagt hij vele maskers. In de gedaante van een domme boer luistert hij gesprekken af in gelagkamers; als edelman bespeelt hij zijn toekomstige bendeleden, als monnik dringt hij door tot in het kasteel waar een sinistere politiechef zijn vrouw gevangen houdt.

Achter al deze vermommingen is de gestalte vaag. Het lijkt of er onder de maskers niets verborgen gaat, maar dat is schijn. Uiteindelijk is de schelm de meest complexe, de ongrijpbaarste van alle personages. Of hij nu hoofdfiguur is of bijfiguur, fictief of werkelijk; de schelm als personage, als archetypische dwaas, laat niemand onberoerd en geen overtuiging intact.

Zo is bij Boon de figuur van Jan de Lichte geen wereldverbeteraar, geen bouwer van utopieën die alleen maar een nieuwe onderdrukking voortbrengt; vóór alles is hij een ontregelaar, een ontmaskeraar van hypocrisie. Zo komen we bij Boons beginselverklaring, het motto waaronder hij lange tijd essays schreef: ‘ook de afbreker bouwt op’. Hier spreekt een gedesillusioneerd man, een pessimist, voor wie de wereldverbeteraars hebben afgedaan.

Het boek is een ware hellevaart, en de anonieme verteller is onze gids, hij gaat ons voor door de nacht. Bij het verlaten van de stad kijken wij een late wandelaar in het gelaat. De gids waarschuwt ons niet in de lach te schieten – dat komt straks wel. We laten de wandelaar voorbijgaan en volgen hem de donkere baan op, maar niet zonder ons af te vragen: ‘Hoeveel zou er in zijn geldbeugel zitten?’

We blijven in de schaduwen, en als hij een duistere landloperskroeg in gaat, treden we zelf binnen, om onopvallend mee te luisteren met de gesprekken. De lezer is meer dan een toeschouwer, hij is medeplichtige en krijgt af en toe een waarschuwing. Als ons een mooie vrouw wordt getoond, met vlees dat uit haar ingesnoerde keursje wil barsten, maant de verteller ons snel weg te kijken. Haar jaloerse man zal ons zonder aarzelen aan het mes rijgen.

Het zijn diezelfde vrouwen, Boons prachtige vrouwen, die de hel dragelijk maken. Zelden nemen ze de moeite om de lijfjes dicht te knopen, immers, kleren vermogen nauwelijks het zoete ooft dat eronder spant in te tomen. De borsten deinen, zwaaien, bengelen vrijelijk, of het nu de gouden appeltjes zijn van het zigeunermeisje Sara, of het rijpe vlees van Judoca Spruyt, hoer en kroeghoudster. En als Jan de Lichte de 13-jarige Marieke Bleecker een gebraden kuiken brengt, uit een van de schoonste herbergen, ‘waar de stoelen van fluweel zijn, en de meiden onder hun wijde rok naakt lopen,’ gebeurt er dit:

‘Marieke Bleecker moet lachen met die gekke praat.

,,Ik loop onder mijn kleed ook bloot,” zegt ze. „Zie maar.”

En ze heft het besmeurd en bemodderd kleedje op.

,,Kom toe, laat dat eens gedekt, stout kind!” zegt Jan de Lichte al lachend. Maar hij legt ondertussen dat gebraden kieken al in dat opgeheven rokje. ,,Speel dat nu maar binnen…”’

Later ontmaskert de bendeleider een verrader, en nu blijkt deze 18de- eeuwse Lolita al even onschuldig als Vladimir Nabokovs heldin; het gespuis dat samenkomt om ‘de Waal’ te doden, nadert langzaam het slachtoffer: ‘Hij heeft angst voor dat vrouwvolk, dat hem met bleke wangen en koortsig schitterende ogen aankijkt. Hij heeft angst voor deze Anne-Marie de Clerck, die schouder aan schouder met het manvolk opdringt. Hij heeft angst voor dat kind, Marieke Bleecker, wier prille borstjes duidelijk zichtbaar opgericht staan in hun geerte om hem, wellustig en wreedaardig van kant te maken…’.

Diezelfde vrouwen zijn het, die Jan de Lichte noodlottig worden. Als het kind Marieke Bleecker door de vijand wordt afgeslacht, knapt er iets in de held van het verhaal. Niet langer is hij de vrolijke, speelse schelm, niet langer de gentleman-bandiet, de berover van postkoetsen, die alleen geweld gebruikt als het strikt noodzakelijk is – nu is het tijd voor wraak.

Niet in staat om zichzelf of zijn bende nog in de hand te houden, loopt Jan de Lichte tegen de lamp. Na maandenlange folteringen komt hij op het schavot; eenmaal nog vlamt de geest op in het gebroken lichaam van de bandiet. Hij roept: ‘Voor geen chanterik peu!’ (geen angst voor het politiegespuis) De overlevenden van zijn bende, die tussen het publiek staan, nemen de kreet over.

De mythe is geboren, en bijna gelijktijdig wordt ook de zoon van Jan de Lichte geboren.

De zoon van Jan de Lichte, verscheen in 1961. Het speelt in een Vlaanderen dat snel verandert. De wouden waarin rovers zich zo graag schuilhouden, verdwijnen, en uit Frankrijk waaien ideeën over die de wereld wel eens uit haar voegen kunnenlichten. Vijftien jaar na hun verstrooiing, proberen voormalige bendeleden één voor één hun eigen utopie tot stand te brengen. De mythe van Jan de Lichte komt goed van pas en ieder voor zich wil de zoon van de bendeleider voor zijn karretje spannen.

Als de voormalige schatbewaarder van de bende zijn oude spitsbroeders organiseert en verantwoordelijk maakt voor de textielfabriek die hij met het geroofde geld heeft opgezet, veranderen de vrolijke vrijbuiters van weleer in de slavendrijvers van de nieuwe tijd. Het strak georganiseerde bedrijf kent een hiërarchisch bevelsstructuur en twee verschillende geheime polities wedijveren in het bespioneren en onderdrukken van de arbeiders. Zo ver is het gekomen met hen, die ooit de politie als hun doodsvijand zagen.

Voor de anarchistische schelmerijen is geen ruimte meer. De slachtoffers, zij die vroeger ook al aan het kortste eind trokken, dalen nu af in een diepere hel. Het is de hel van de vroeg-kapitalistische onderneming, de meest efficiënte vorm van banditisme die ooit is uitgedacht. Maar de nieuwlichters rekenen buiten de schelm: Louis de Lichte weigert stelselmatig om de heldenrol te spelen. Hij onttrekt zich aan alles, jaagt de liefde na, en ondermijnt terloops de projecten van zijn vaders handlangers en bewonderaars.

Pas in de laatste bladzijden van het boek komt hij zelf aan het woord. De Franse revolutie vond een paar jaar eerder plaats en de sansculotten vallen ook Vlaanderen binnen. Dat hier nogal losjes met de tijd wordt omgesprongen – het is inmiddels een halve eeuw na de terechtstelling van Jan de Lichte – hindert niet. Louis de Lichte is van een ander slag dan zijn vader, hij gelooft nergens in, en betreurt het ‘de zoon van’ te zijn. Zijn schelmsheid is er voortaan één van een volledig onttrekken aan het wereldgebeuren en genieten van het leven.

De nieuwe uitgave van de beide Jan de Lichte-boeken, verschenen als onderdeel van Boons Verzameld Werk, bevat naast een notenapparaat, een nawoord over de ontstaansgeschiedenis. De definitieve versie van het eerste boek verscheen in 1956, maar drie jaar eerder was er al een omvangrijkere versie. Het boek verscheen in 1951-1952 ook als weekbladfeuilleton.

In deze oerversies is de verteller zelf een ontregelaar, die voortdurend het verhaal onderbreekt en zich overgeeft aan commentaren, overpeinzingen en historische achtergronden. Het is een vorm die meer aansluit op eerder werk van Louis Paul Boon. In de definitieve uitgave bij De Arbeiderspers zijn de uitweidingen verdwenen, de verteller is minder nadrukkelijk aanwezig, en laat de taferelen voor zichzelf spreken. Die spreken immers al duidelijke taal. Voor Boon moest literatuur ‘waarachtig en geëngageerd’ zijn, maar ze mocht nooit in dienst staan van een politieke ideologie. De schrijver Boon was een anarchist. Hij was het soort schelm dat geen heilig huisje overeind laat staan. En dat is nog altijd een bittere noodzaak.