Buffelen in het brein

Jeffrey Moore: De geheugenkunstenaars. Uit het Engels vertaald door Gert Jan de Vries. Prometheus, 380 blz. € 24,95

Waar heb je in een zoektocht naar ‘viagra voor de geest’ meer aan: kunst of wetenschap; een geheugenpilletje of De vertellingen van duizend-en-één-nacht? Hoewel de vraag zo oud is als de zoektocht naar de ziel, is de uitwerking in Jeffrey Moore’s roman De geheugenkunstenaars effectief en origineel. Je wordt gestuurd door een dr. Vorta, die als een Kinbote uit Nabokovs Pale Fire voetnoten plaatst in een verhaal dat bestaat uit memoires, dagboeknotities, wetenschappelijke aantekeningen en gesprekken. Het draait daarbij allemaal om Noel, die aan hypermnesische synesthesie lijdt (een abstract geheugen in combinatie met een letter- en klankkleurverbinding, waardoor gesprekken onmogelijk worden) en die op zoek is naar een medicijn voor zijn aan Alzheimer lijdende moeder. Hij wordt hij terzijde gestaan door drie vrienden die hun eigen verleden te verwerken hebben.

Los van het verhaal over de zoektocht zelf, jeugdtrauma’s, verliefdheden en de kwaliteiten van de Zwitserse mens in het algemeen, is vooral de botsing tussen wetenschap en geest zeer boeiend, juist omdat die twee in elkaar opgaan. Soms gebeurt dat in een expliciet verwoorde visie van een personage: ‘psychiatrie is de spectaculairste fout van het 20ste- eeuwse denken. Ze moet verwezen worden naar de grote intellectuele mesthoop van de geschiedenis.’ Moore zal niet geloven in een louter wetenschappelijke benadering (Noels moeder krijgt zowel chemische brouwsels als kruiden, naast veen grote dosis verhalen), maar zijn uitwerking van een bij uitstek literair thema als de zoektocht naar identiteit en ziel op een gedeeltelijk wetenschappelijke manier is interessant.

De geheugenkunstenaars past binnen een tijd waarin meer wetenschappers zoeken naar het hogere en meer kunstenaars vraagtekens plaatsen bij de ziel of alles wat daaromheen hangt. Moore speelt hierop in door gebruik te maken van allerlei postmoderne trucs die dan weer wetenschappelijk en dan weer literair lijken. Hij slaat de lezer om de oren met literaire verwijzingen, eruditie, krantenknipsels, manuscriptfictie en melige voetnoten. Dat heeft hij vast zo aangepakt om een beroep te kunnen doen op het geheugen van de lezer die zich suf bladert, voor- en achterwaarts, en ook om aangrijpende passages over Noels moeder te neutraliseren met kennis.

Want mocht je geraakt worden door een bepaalde passage, dan wordt meteen duidelijk dat het hier gaat om een vorm van ‘informatieverwerking’. Dat is knap, wellicht zelfs briljant, maar getuigt het misschien niet ook van een pose-achtige vrijblijvendheid die niet helemaal overtuigt? Het is lastig om daarachter te komen. Ben je nu geraakt of wijzer? Is dit kunstmatig of kunst met een grote K? Eén ding is zeker: De Geheugenkunstenaars zet zich vast in het geheugen.