Boomminnende vogels

Achtentwintigste aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

‘Wacht, ik ga even op de stam kloppen; meestal komen ze dan naar buiten kijken.’ Foto Sake Elzinga Nederland - Assen - (Drenthe) - 12-04-2007 Asserbos, spechten nest in oude boom. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Evert

Er zijn vogels die hun hele leven in en tussen bomen doorbrengen. De boomklever bij voorbeeld, bosvogel bij uitstek. Geef hem een stel beuken, doe er wat eik en een enkele grove den bij, en hij zorgt zelf voor de rest.

Vanuit zijn traditionele woongebieden heeft de boomklever zich recentelijk spectaculair uitgebreid. In Drenthe binnen dertig jaar van hooguit tien tot pakweg 2.500 broedparen. Er zitten raadselachtige kanten aan het tempo van deze toename. Duidelijk is wel dat het bos gevarieerder is geworden en dat de spreeuw er vrijwel uit is verdwenen.

Boomklevers bewegen zich met het grootste gemak langs stammen en takken en speuren of wroeten in alle mogelijke standen naar insecten of spinnen, eitjes of larven. De gladde schors van beuk is voor hen al even begaanbaar als de ruwe van eik. Vlijmscherpe nageltjes!

Als een boomklever op de grond komt, is het in de regel om op te rapen wat een boom heeft laten vallen – beukennootjes. Of om een propje aarde te verzamelen voor zijn metselwerk.

Ze broeden bij voorkeur in oude spechtenholen. De ingang wordt dan zo dichtgesmeerd dat er alleen nog maar een boomklever doorheen kan (en zeker geen spreeuw, spreeuwen zijn/waren hun grootste nestconcurrenten). Dit werkje wordt met buitengewoon veel aandacht en volharding gedaan. Het gebruikte materiaal wordt overigens niet vermengd met speeksel – boomklevers zoeken zelfklevende aarde, voor iets leemachtigs maken ze met liefde extra vlieguren.

Het kan ook gebeuren dat ze hun intrek nemen in een mezenkast. Aan het vlieggat valt dan niets te verbeteren. Vaak brengen ze dan, waarschijnlijk net zo aandachtig en volhardend, aarde aan tegen het deksel of de achterwand. Als je dat ziet, vraag je je af waar dat goed voor is. Nergens voor? Dan moet je concluderen dat het metselen hun tot een behoefte geworden is, die hoe dan ook moet worden bevredigd.

In zo’n kast kun je ook mooi zien waar de boomklever het vulsel voor zijn nest vandaan haalt: boven uit grove den. De jonge delen van de schors van grove den, die zo’n verrukkelijke roodkoperen gloed vertonen bij een laagstaande zon, zijn zacht en schilferig. Boomklevers peuteren deze papierdunne schilfers los en leggen ze laag voor laag in de nestholte.

Die vulling is zo rul dat de eitjes er een beetje in wegzakken. Als een broedend boomklevervrouwtje even van het nest gaat, zijn ze vanzelf al toegedekt. De bosvogelonderzoeker (we hebben het nu weer over een natuurlijk nest, je kunt er niet met je hand in) kan de eitjes pas zien als hij wat schilfers opzij heeft geblazen. Daartoe heeft hij een rietje bij zich.

Het eerste ei wordt in de derde week van april gelegd. Dan verstomt, van het ene moment op het andere, de zang van de boomklever, die luide stem waarmee hij uiting geeft aan zijn aanwezigheid en ambities. Maar helemaal boomkleverloos onderga je ook dan het bos niet. Je blijft, waar jíj de indringer bent, zijn alarmroep horen, in feite welluidender dan zijn zang, een ronde toon die gladjes afdaalt uit het geboomte.

Op een zonovergoten donderdag heb ik de bezigheden van boomklevers nog eens bezien en besproken met Rob Bijlsma. Hij is 52 en freelance-bioloog te Wapse. Werkt zijn hele leven al aan bosvogels. Ik vroeg hem welke kwaliteiten je daarvoor moet hebben (behalve dan een jeugd in een bosrijke omgeving) en hij zei: „Je moet in elk geval niet doof zijn.”

In bos begint het zien van dingen doorgaans met het horen van dingen. Bij Rob krijg je de indruk dat hij alles hoort. Maar dat kan natuurlijk niet, niemand hoort alles. Laat ik het dan zo zeggen: voor hem heeft alles wat hij hoort betekenis. Op een gegeven moment: een aanhoudend, gesmoord, als het ware binnensmonds, geklop.

„Zwarte specht”, zei Rob. „Die zit in zijn nest te hakken. Wacht, ik ga even op de stam kloppen; meestal komen ze dan naar buiten kijken.”

Terwijl hij bij me vandaan liep, keek ik nog wat rond. Bolle beuken, ietwat spichtige eiken en inderdaad een enkele grove den. Boomklevergejoel van drie, vier kanten.