Apple-logo verklaard

Janna Levin: Een bezetene droomt van turingmachines. Vertaald door Peter van Huizen. Contact, 239 blz. € 22,90

Logicus Kurt Gödel en wiskundige Alan Turing vormden bij leven de bewijsvoering bij uitstek dat tussen genialiteit en krankzinnigheid een dunne lijn zit. De Oostenrijker Gödel meende met zijn ‘onvolledigheidsstellingen’ de Wiener Kreis overbodig te maken, het groepje wetenschappers dat in tijden van fascisme de wereld in rationele ideeën wilde vatten. Ook hielp hij Albert Einstein met zijn relativiteitstheorie. Maar Gödel was tegelijk zwaar paranoïde en schizofreen – hij hongerde zichzelf dood, bang om vergiftigd te worden.

De Britse autist Alan Turing ontwierp de turingmachine, voorloper van de computer. Hij ontcijferde de Enigmacode van nazi- Duitsland, essentieel voor de overwinning van de geallieerden. In 1954 pleegde hij zelfmoord door een met cyanide vergiftigde appel te eten. Naar dit zelf verkozen levenseinde schijnt het logo van computerbedrijf Apple– een regenboogappeltje met een hap eruit – te verwijzen.

In haar romandebuut spiegelt de New-Yorkse natuurkundige Janna Levin beide wetenschappers aan elkaar. Dit doet ze in een klein aantal statische, haast dialoogloze scènes. Deze beschrijven de genoemde gebeurtenissen in afwisselend het leven van Gödel of Turing. Die spiegeling kan prachtige literatuur opleveren. Neem alleen al de verschillende manieren van sterven, waaruit hun botsende wereldbeelden bleken. Turing at de cyanide-appel, doordrongen van de gevolgen. Maar Gödel was een zelf verkozen hongerkunstenaar. Zijn weigering appels, of wat dan ook, te eten was voor hem een uiting van zijn vrije wil. Een vrije wil waarin Turing al vroeg het geloof verloor.

Gödel was een mysticus. Geen materialist zoals Turing, of de leden van de Wiener Kreis. Zij hingen de vroege Ludwig Wittgenstein aan: ‘De wereld is alles wat het geval is.’ Maar Kurt Gödel geloofde sterk in datgene áchter de zintuiglijke werkelijkheid. Turing was een aardse cynicus: de mens is een machine, een optelsom van atomen. Niet voor niets bedacht hij de turingtest: van kunstmatige intelligentie is sprake wanneer een computer een mens kan doen geloven dat hij tegenover een andere mens staat.

Deze filosofische thema’s vormen de inzet van Levins boek. Maar zo boeiend als de vraagstukken zijn over vrije wil en de kenbare werkelijkheid, en zo boeiend als Gödel en Turing zelf waren, zo dof is de roman. Die schreef Levin waarschijnlijk met opzet wat stijfjes, als een stilistische equivalent van de wiskundige logica die, zo suggereert ze, zich toonde in de levensloop van beide mannen. Tegelijk doet, vooral in het begin, haar onhandig gekozen beeldspraak de zinnen in hun voegen kraken. Ook ontbreekt het Levin aan verbeeldingskracht. Gödel en Turing komen niet tot leven – en hun ideeën ook niet.