Adoptiekind met wonderkracht

Van Tarzan, Superman en Mozes tot Citizen Kane, Harry Potter en Paddington, de kunsten wemelen van de adoptiekinderen. Ze zijn een garantie voor drama, actie en emotie.

Mowgli The Jungle Book Year: 1967 Director: Wolfgang Reitherman PHOTOS12

'Papa, kun je nog een keer ahoewa roepen?” vraagt mijn driejarige zoon. Verliefd kijkt hij naar zijn eerste horloge, met een brullende Tarzan op de wijzerplaat. Het horlogebandje is van pantervel.

Ik imiteer de bekende oerwoudkreet van Tarzan: „Ààààhoewàoewàhoewààà!” Mijn zoon moet lachen en zegt: „Tarzan is ook met het vliegtuig gekomen, hè, papa?”

Ik beaam: „Ja, hij is ook met het vliegtuig gekomen. Hij is ook geadopteerd. Net als jij. Door de apen.”

Sinds ik mijn oudste zoon drie jaar geleden ging ophalen uit Chicago, zie ik ineens overal adoptiekinderen om me heen. Niet alleen op straat, maar ook in films, op het toneel en in boeken. Eerst dacht ik dat het aan de blik van de adoptievader lag – zoals je overal bordeauxrode Opel Astra’s ziet rijden als je er net een hebt gekocht – maar nader onderzoek leert dat er in de wereldverhalen honderden wezen, vondelingen en anderszins geadopteerde kinderen rondlopen. Adoptie is zelfs een van de grote thema’s. Alleen omdat het woord adoptie nooit wordt gebruikt, besef je het niet.

Harry Potter? Geadopteerd! Oidipoes? Geadopteerd! Superman en Luke Skywalker uit Star Wars? Intergalactisch geadopteerd. Het lelijke eendje, Mozes, Annie en keizer Augustus? Allemaal geadopteerd.

Waarom zijn er zoveel helden uit drama’s en romans geadopteerd? Omdat het de schrijver een handig uitgangspunt biedt om een heleboel klassieke thema’s in zijn verhaal te stoppen. Als je begint met een wees, of vondeling, dan heb je meteen al drama: het feit dat een kind niet bij zijn biologische moeder opgroeit, roept emoties op. Zoals adoptiekind John Lennon zo hartverscheurend zong: „Mother you had me, but I never had you”.

De onbekende afkomst biedt grote mogelijkheden. Verhalen beginnen pas als iemand op ontdekkingstocht gaat. Iemand die gewoon gelukkig thuis bij de kachel zit, heeft geen reden om aan een avontuur te beginnen. Maar een mens die die niet weet waar hij vandaan komt, gaat op zoektocht. „Waar hoor ik bij?” is een van de grote vragen in de wereldliteratuur. Verder krijgt de eeuwige nature-nurture-discussie met een adoptiegeval handig testmateriaal: bij alle daden van de held is de vraag of het opvoeding is of afkomst? En familie, of geen familie, doet het ook altijd goed.

Anders dan in de werkelijkheid, is adoptie in fictie altijd een drama. Tussen de adoptiehelden neemt Tarzan daarom een bijzondere plaats in, omdat zijn adoptie zo succesrijk verloopt. Een wonder, want toen ik eens een apenbaby in Artis door zijn kooi zag slingeren – even jong als mijn eigen zoon die weerloos op mijn buik hing – besefte ik dat een mensenbaby in apenogen een zwaar gehandicapt wezentje moet zijn: kaal, halfblind, lam, niet in staat om zijn moeder vast te houden. Een beetje apenmoeder had Baby Tarzan allang uit de boom laten vallen.

Tarzans mensenouders zijn

in het Afrikaanse oerwoud door een panter vermoord, Tarzans apenmoeder vindt hem net nadat haar eigen baby door dezelfde panter is vermoord. Tarzan wordt helemaal geaccepteerd door de apen, zeker nadat hij als tiener die panter doodt. Als hij de mensenvrouw Jane ontmoet, dreigt zijn liefde hem terug te drijven naar de mensenwereld. Maar ja, in de jungle is hij de prins, en in Engeland is hij slechts een onaangepaste freak. Dit is raak getroffen, want zo moeten veel adoptiekinderen zich voelen als ze hun land van herkomst bezoeken. Misschien hebben zij zich in Nederland nooit helemaal thuis gevoeld, maar in hun eerste land horen ze zeker niet meer thuis. Triomf voor de adoptieouders is dat Tarzan voorgoed terugkeert naar de jungle. Zijn adoptievader sterft en Tarzan moet het koningschap op zich nemen. Hij kiest voor zijn familie, zijn adoptiefamilie.

Tarzan behoort tot een uitzonderlijk soort adoptiekinderen: zij die door een andere diersoort zijn aangenomen. Voorlopers van hem zijn Romulus, Remus, Mowgli en Kaspar Hauser, die allen door wolven zijn grootgebracht. Een merkwaardige nakomeling is de Penguin in de film Batman Returns, een superschurk die is grootgebracht door pinguïns nadat hij door zijn rijke ouders als misvormde baby in de vijver is gedumpt.

Een mens tussen dieren, een arme tussen rijken, een rijke tussen armen, een zwarte tussen blanken: iemand speciaal maken door hem in een vreemde cultuur te plaatsen, is een goed uitgangspunt voor een verhaal. In vrijwel alle gevallen voelt de adoptieheld zich speciaal. Interraciale adoptie is een goede methode om een adoptieheld te laten botsen met zijn omgeving, omdat de verschillen zo zichtbaar zijn. J.B. Schuil schreef een reeks jongensboeken over de Katjangs (twee indo’s) en de Artapappa’s (twee ‘eenvoudige kafferjongens’) die naar Nederland komen voor onderwijs. De Katjangs zijn ietwat wild, maar passen zich verder prima aan, van de Artapappa’s gaat er eentje dood, en de ander wordt nogal neerbuigend bejegend, in ieder geval door de schrijver. Latere pedanten van de Artapappa's zijn Kwasi en Kwame, de Afrikaanse prinsjes in de roman De zwarte met het witte hart van Arthur Japin. Dat boek bevat een pessimistische integratieles: hoe goed het adoptiekind zich ook aanpast, hij zal altijd als buitenstaander worden behandeld door zijn omgeving.

Geadopteerden in films en boeken worden vaak achtergesteld. Als het lelijke eendje moeten ze harder vechten, en komen ze verder dan de mensen die hen niet voor vol aanzagen. Ze zijn vaak sociale klimmers en worden iets bijzonders. Citizen Kane is in Orson Welles’ film door zijn moeder weggestuurd, en wordt de machtigste mediatycoon van Amerika. Heathcliff, in de 19e-eeuwse roman Wuthering Heights van Emily Brontë, is een ‘donker’ adoptiekind dat terugkeert als grimmige rijkaard.

Vaak blijken adoptiehelden een speciale gave te hebben. Kim in de gelijknamige roman van Rudyard Kipling heeft een talent voor spionage en gaat naar de Britse geheime dienst. Harry Potter is een adoptiekind dat zijn buitengewone krachten ontdekt, en als een soort messias boven zijn kleinburgerlijke omgeving uitstijgt. En wat te denken van Mozes, een joodse slavenbaby die door zijn moeder in een mandje de Nijl op wordt geduwd. Hij groeit op als adoptiekind aan het Egyptische hof, maar hij keert terug naar zijn eigen volk om het uit de slavernij te leiden. Zijn Egyptische adoptiefamilie laat hij verdrinken in de Rode Zee.

Extra speciaal zijn de Amerikaanse superhelden, die opvallend vaak geadopteerd zijn. Tegelijkertijd met de ontdekking van zijn superkracht vindt Superman in de schuur van zijn ouders een baby-ruimtescheepje. Hij blijkt door zijn ouders de ruimte in te zijn geschoten, toen hun planeet Krypton werd vernietigd. Net als vele superhelden zal Superman zijn leven lang in het geheim een dubbel paspoort behouden: dat van Superman, en dat van Clark Kent, zijn doodgewone, brillende alter ego. In mindere mate zullen alle adoptiekinderen dat dubbele gevoel herkennen: doodgewoon willen zijn, maar ook hechten aan dat wat je speciaal maakt.

Het schijn in de pedagogie een erkende fase te zijn: de tijd dat ieder kind zich een geadopteerde prinses waant. Als een kind weinig overeenkomsten ziet tussen zichzelf en zijn ouders, dan vlucht het in de fantasie, waarin zijn ouders niet zijn echte ouders zijn, en het in werkelijkheid afstamt van een koning of koningin, die in ieder geval veel rijker zijn dan de huidige ouders, en van wie het kind vast veel later naar bed zou mogen. Deze fantasie kan ook een schrikbeeld zijn. Voor adoptiekinderen is deze fantasie in ieder geval voor de helft werkelijkheid.

Hoewel adoptiekinderen door de adoptie doorgaans automatisch sociaal klimmen, groeien zij in 19de-eeuwse romans juist op in armoede en vinden zij later hun biologische familie terug die rijk en lief blijkt. Bekende voorbeelden van dit soort weeskinderen zijn Rémi uit Alleen op de wereld, Kruimeltje en Oliver Twist. Niemand heeft zoveel wezen op de wereld gezet als Britse schrijver Charles Dickens. Bij hem overschrijden ze vaak de harde Britse klassengrens. Dickens neemt het altijd op voor de armen. Tegelijkertijd zijn de meeste armen in bijvoorbeeld Oliver Twist slechte mensen, en de meeste rijken zijn goed. En Oliver Twist weerstaat in zijn sloppenjeugd de verleiding van het kwaad omdat hij een edel middenklassehart heeft. Nature verslaat nurture.

De adoptieheld stijgt in macht

en aanzien, en hij kan dat ten goede of ten kwade aanwenden. Je hebt adoptieboeven en adoptie-engelen. De eersten, doorgaans jongens, gaan het slechte pad op: drugs, drank, misdaad, en tienerseks zonder deugdelijke voorbehoedsmiddelen. De tweeden, doorgaans meisjes, brengen juist harmonie in het huis van de adoptieouders. Bij de engeltjes valt op dat er nooit meer over de achtergrond van het kind wordt gepraat, als de adoptie is voltooid. De adoptie wordt hier gepresenteerd als een schone lei. Bij adoptieboeven wordt juist alle ellende aan de duistere afkomst geweten: the bad seed.

Annie is een schoolvoorbeeld van het adoptiemeisje dat alles goed komt maken. Na allerlei ellendige avonturen, waarin ze ondermeer zelf een zwerfhond adopteert, maakt het weesmeisje haar rijke, kale adoptiepapa gelukkig met haar rode krullenbol. Zo zien wij adoptieouders dat graag. Annie is een late uitloper van de vele adoptiefilms die Shirley Temple maakte, als het schattige krullenmeisje dat zichzelf in de etalage zet: adopteer mij! Temple werd in haar films voortdurend geadopteerd, door onder anderen alleenstaande mannen, soldaten, gemene oude vrouwtjes, mounties, een troep artiesten, en een vuurtorenwachter.

Het andere type, het adoptiekind op het verkeerde pad, is het soort waar ouders tot in den treure voor worden gewaarschuwd. Een extreem voorbeeld is Freddy Krueger in de horrorfilmreeks A Nightmare on Elm Street. Kruegers moeder was een verpleegster die een weekend lang werd groepsverkracht door een afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Het product hiervan, Freddy, staat zij af voor adoptie. Uiteraard wordt hij een kindermoordenaar met messen als nagels aan de vingers van zijn handschoenen. Je kunt dit wijten aan nature, het slechte zaad van zijn biologische vaders, maar ook aan nurture, want zijn adoptievader was een dronkaard die hem sloeg. Dat Kruegers slechtheid toch niet erfelijk is, blijkt als zijn dochter, ook geadopteerd, een goed meisje wordt dat haar moorddadige vader doodt.

Als je niet weet wie je biologische familie is, loop je kans om op een dag per ongeluk je vader of broer te doden, of seks te hebben met je zus of moeder. Incest en vadermoord liggen voor adoptiehelden altijd op de loer. Luke Skywalker flirt in de filmreeks Star Wars met prinses Leia, zonder te weten dat zij zijn biologische zusje is. Het komt net niet tot incest. Skywalker weet ook niet dat zijn grootste vijand, Darth Vader, eigenlijk zijn biologische vader is. Het komt tot een duel, maar net niet tot vadermoord, doordat Darth Vader ineens last krijgt van vaderlijke gevoelens. Skywalkers beroemde voorganger Oidipous gaat wel all the way. Zonder het te weten doodt de oud-Griekse koning zijn biologische vader en trouwt met zijn biologische moeder.

Voor adoptiekinderen

en hun ouders is het natuurlijk leuk om zo verrassend vaak op adoptiehelden te stuiten, maar het is ook vaak slikken, want een goed verhaal begint pas als er iets grondig fout loopt. Adoptie is doorgaans een bron van ellende in fictie. Ik snak dus wel eens wel eens naar een boek of film waarin adoptie wat realistischer wordt behandelt, en dus niet als een groot probleem. Tarzan is een mooie adoptieheld, maar zijn verhaal draait toch weer om het kiezen tussen twee culturen, terwijl dit in werkelijkheid zelden speelt.

Een beter rolmodel voor adoptiekinderen is de beer Paddington, uit de boeken van Edward Bond. Adoptie is hierin een thema, maar niet de bron van een conflict. De familie ziet het onaangepaste gedrag van de beer met liefde en geduld aan. Bond probeert het verleden van Paddington niet onder de mantel der liefde te bedekken. Hij is als berenkind uit de binnenlanden van Peru door zijn oude tante op de boot naar Engeland gezet, als verstekeling, met een briefje om zijn nek: „Please take care of this bear.” Hongerig en moederziel alleen vinden zijn adoptieouders hem op Paddington Station in Londen. Een angstig avontuur voor een kleine jongen. Maar nergens in de reeks wordt hier zielig of verontwaardigd over gedaan. Het is zoals het is. Dat werkt heel verfrissend. En Paddingtons adoptiefamilie praat uitsluitend positief over de ‘wijze tante’ van Paddington. Enig minpuntje is dat de nadruk wel heel erg op de status aparte van de beer ligt; voor Paddington blijven zijn adoptieouders mr Brown en mrs Brown heten, wat nogal vormelijk is. Het zou leuk zijn als Paddington zijn nieuwe ouders een keer zou aanspreken met mama of papa.

‘Tarzan de musical’ gaat zondag in première in het Circustheater te Scheveningen. Inl. 0900-3005000 of www.musicals.nl. In Bellevue Amsterdam is vanaf 1 mei ‘Black in Bakkum’ te zien, een muzikale lunchvoorstelling van de zwarte adoptieheldin Jeanine Valeriona. Inl. 020-5305301 of www.bellevue.nl.