Aanslagen verharden tegenstellingen in Irak

De aanslag van gisteren in de Groene Zone in Bagdad geeft aan dat niemand meer veilig is in Irak. Het grote veiligheidsoffensief van Amerikaanse en Iraakse militairen in Bagdad heeft voorlopig maar weinig succes.

Mensen vluchten uit het café van het Iraakse parlement nadat een zelfmoordterrorist zich er had opgeblazen. De foto is afkomstig van een video-opname. Foto AP Image via AP Television News shows people leaving the area through thick dust following an explosion in the Iraqi parliament cafeteria within the Green Zone in Baghdad, Iraq. Thursday April 12, 2007. A suspected suicide bomber blew himself up in the cafeteria Thursday, killing at least eight people and wounding dozens in a stunning assault in the heart of the heavily fortified, U.S.-protected Green Zone. Television footage showed scenes of pandemonium inside the building at the moment of the attack. A man being interviewed on Alhurra television ducked for cover, as a hallway filled with smoke. People can be heard screaming out one another's names. One man was slumped over, motionless, covered in dust. (AP Photo/AP Television News, pool ) Associated Press

Bomaanslagen in Irak zijn zo gewoon geworden dat een dubbele aanslag met dertig doden, zoals de explosies die twee dagen geleden in Algiers veel aandacht trokken, de buitenwereld niet meer zou opvallen. Maar gisteren slaagden de geweldplegers in Irak er wél weer in het wereldnieuws te halen, met de verwoesting van een belangrijke verkeersbrug over de Tigris en met een zelfmoordaanslag in het parlement.

Het aantal doden was voor Iraakse begrippen niet hoog – acht op de brug, volgens de laatste cijfers één dode in het parlement. Ter vergelijking: de tot dusverre dodelijkste individuele aanslag, vorige maand in Tal Afar, eiste 152 levens. Maar de verwoeste brug bepaalt voor de inwoners van Bagdad de komende tijd het beeld. En de aanslag in het parlement, in de zwaar beveiligde Groene Zone, geeft aan dat niemand meer veilig is in Irak.

De aanslagen onderstrepen daarmee het voorlopig geringe succes van The Surge, het grote veiligheidsoffensief in Bagdad waaraan circa 90.000 Amerikaanse en Iraakse militairen deelnemen. Het is een moed-der-wanhoop-operatie, die met tienduizenden extra Amerikaanse manschappen het eind vorig jaar volledig uit de hand gelopen geweld in de Iraakse hoofdstad moet intomen en de basis moet leggen voor een zo ordentelijk mogelijke Amerikaanse terugtrekking uit Irak.

Amerikaanse commandanten zijn tegenwoordig veel voorzichtiger over de resultaten van hun offensieven dan vroeger, toen ze na elk offensief een doorslaggevend succes meldden dat vervolgens door de feiten werd gelogenstraft. Vooruitgang is in maanden te meten, zeggen ze nu, en topcommandant generaal Petraeus probeert zo lang mogelijk zijn versterkingen in Irak te houden tegenover de toenemende druk uit het Congres om de troepen zo snel mogelijk uit Irak terug te halen.

De huidige feiten zijn dat de shi’itische milities, het Leger van de Mahdi van Muqtada Sadr voorop, die na de aanslag op de Gouden moskee in Samarra op 22 februari 2006 op grote schaal sunnitische burgers begonnen te vermoorden, zijn ondergedoken. Het aantal lijken dat dagelijks op straat in Bagdad wordt gevonden is van zo’n 60 per dag verminderd tot 10 tot 20.

Maar de sunnitische extremisten aan wie de grote (zelfmoord-)aanslagen – waarvan hoofdzakelijk shi’ieten het slachtoffer zijn – worden toegeschreven, geven geen enkel teken onder de indruk te zijn van het offensief. Uit internetpublicaties kan worden opgemaakt dat in de terreurcoalitie van Al-Qaeda-in-Irak en gelijkgezinde groepen spanningen bestaan – het Islamitisch Leger in Irak klaagt dat Al-Qaeda zijn aanhang vermoordt en Al-Qaeda beschuldigt het Islamitisch Leger van banden met inlichtingendiensten.

Dat heeft echter geen invloed op hun aanslagen. Sinds het begin van het offensief, midden februari, zijn daarbij honderden Irakezen gedood. Volgens een rapport van het Gulf Research Center, een denktank in Dubai, zijn in februari en maart 92 bevestigde zelfmoordaanslagen gepleegd tegen 62 in de laatste twee maanden van 2006, met hogere aantallen slachtoffers dan in enige andere periode sinds 2003.

Generaal Petraeus onderstreepte begin vorige maand dat hoe dan ook militair geweld tegen de terroristen en rebellen alleen, niet voldoende is om Irak te pacificeren – politieke maatregelen zijn vereist om een verzoening tussen met name de sunnitische minderheid en de shi’itische meerderheid te bewerkstelligen. Anders komen de shi’itische milities zodra de Amerikaanse troepen zich terugtrekken onmiddellijk uit hun schuilplaatsen te voorschijn om de sunnitische bomaanslagen op shi’itische burgers te vergelden.

De Amerikanen hebben de door shi’ieten gedomineerde regering van premier Nouri al-Maliki daartoe een aantal eisen gesteld. Het zijn in feite eisen van de sunnieten, die zich de underdog voelen:

een oliewet die garandeert dat de Iraakse olie aan álle Irakezen ten goede komt,

het terugdraaien van de deba’athificering waardoor duizenden (sunnitische) Ba’ath-aanhangers weer in de overheid aan het werk kunnen,

wettelijke ontbinding van de (shi’itische) milities en

wijziging van de grondwet, onder andere om het referendum over de toekomst van de oliestad Kirkuk te schrappen.

Maar hoewel de regering onder zware Amerikaanse druk vorige maand een oliewet en een Ba’athwet heeft ingediend, is er in het parlement niets aan gedaan en ook op de andere punten is geen beweging gesignaleerd. De shi’ieten verzetten zich met kracht tegen terugkeer van Ba’athisten en ontbinding van de milities, terwijl de Koerden staan op een referendum dat hun Kirkuk oplevert. Tot woede van de sunnieten heeft de regering juist besloten Arabieren die zich na 1968 in de stad hebben gevestigd aan te moedigen te vertrekken. De huidige bomaanslagen leiden alleen tot verharding van al die posities.