Plasterk moest zelf eens leraar zijn

Zo was het dus leraar te zijn. Na meer dan dertig jaar sta ik weer voor de klas. De baasjesuniversiteit beu lever ik als gepensioneerde een bescheiden bijdrage aan de bestrijding van het lerarentekort.

Opnieuw beleef ik de vreugden, maar ook alle spanningen van het docentschap in het voortgezet onderwijs. Het is weldadig weer in een sfeer van collegialiteit te werken. In vergelijking met de hiërarchie van het hoger onderwijs zijn scholen nog betrekkelijk platte organisaties. In de leraarskamer eet de rector samen met de docenten zijn boterhammetjes uit een plastic zakje...

Maar wat is het lesgeven afmattend. Hoe heb ik ooit 26 en meer uur kunnen geven? Met mijn negen weekuren van nu ben ik maar twee dagen op school. Maar na een zo’n lesdag ben ik uitgeteld. Deze vermoeidheid laat zich niet vergelijken met een dag werken op de universiteit. Zelfs als je daar – bij uitzondering – een dag hebt met vier of zelfs zes ‘contacturen’, ben je aan het eind lang niet zo uitgeteld. De verklaring zit in de aard van het onderwijs en de simpeler groepsdynamiek. Een academisch hoorcollege vergt natuurlijk heel wat energie. Maar deze gaat vooral zitten in de concentratie op de boodschap. Zeker als je leraar bent geweest, kun je met een paar didactische trucs de wegzakkende aandacht snel herstellen. Bij de werkcolleges hoef je alleen maar in de gaten te houden of de woordvoerende studenten geen baarlijke nonsens vertellen. Meestal volstaat het achterover te leunen en goedkeurend te glimlachen. En deze onderwijsinspanningen van luttele uren in de week beslaan feitelijk nooit meer dan een half academisch jaar. Dit is immers niet alleen doorspekt met alle schoolvakanties, maar er zijn ook drie of vier tentamenperiodes van twee tot vijf weken. De Nijmeegse universiteit, tegenwoordig vernoemd naar de obscuurste heilige uit de Nederlandse santekraam, heeft officieel 26 onderwijsweken. Ook aan andere universiteiten is en was het feitelijk nooit anders. Begon het collegejaar vroeger niet in de eerste volle week van oktober en was het in mei al niet gedaan?

Waarom is het lesgeven aan mijn 32 vijfdeklassers Latijn onvergelijkelijk veel vermoeiender? Ik moet me op de stof concentreren, voor didactische variatie zorgen, maar ook met een ander geestesoog voortdurend de klas in de gaten houden. Koutende en glazig kijkende leerlingen moeten erbij worden gehaald. Allerlei ‘irrelevant’ gedrag moet worden afgekapt. Zwakke leerlingen moeten worden bemoedigd. Kortom, je geest werkt op volle toeren.

En dat voel je. Niet zozeer tijdens zo’n intens lesuur, want dan houdt de adrenaline je wel op de been. De terugslag komt als je naar huis fietst en thuis op de bank neerploft. Heel wat leraren duiken op vrijdagmiddag in bed om bij te slapen. Vooral in het lange eerste semester voel je de spanning in jezelf oplopen. De tweede helft van het schooljaar heeft gelukkig aardig wat gaten om weer bij te komen. En in de verte lonkt de zomervakantie, wanneer je alles van je kunt afschuiven.

Voor de buitenstaander ziet het leven van de leraar met al zijn vakanties er rozig uit. Zo’n stuurman aan de wal is de nieuwe minister van Onderwijs. Allesweter Plasterk heeft echter op de brug van het cruiseschip van de universiteit gestaan. De indrukken die hij daar heeft opgedaan doen hem meewarig kijken naar de zeelui op de vrachtschepen van het onderwijs. Hij heeft er geen benul van hoe belastend een lesuur is in vergelijking met werkuren in andere beroepen, bijvoorbeeld een universitair docentschap. Daarom gaan simpele sommetjes niet op.

Zo rekende Plasterk de Tweede Kamer voor dat een gemiddelde werknemer jaarlijks 25 dagen vakantie heeft, terwijl leraren er maar liefst 55 hebben. Verplaatsing van een deel van de 42 werkuren per week naar de vakanties, zoals de minister suggereert, is een naïeve berekening. Zo worden onze leraren beroofd van de broodnodige recuperatietijd.

Een paar jaar terug gaf ik een didactische workshop aan Oostenrijkse leraren klassieken. Zij klaagden zoals leraren overal ter wereld doen. Vond ik het ook niet schokkend dat hun regering hen een uur meer per week wilde laten geven? Ik hield mijn mening voor me in afwachting van de voorspelbare vraag hoeveel uren leraren bij ons eigenlijk geven. Toen zwegen de Oostenrijkse collega’s beschaamd over de verhoging van hun volle weektaak van 17 naar 18 uur… Ze probeerden het nog wel: leraren werden bij ons zeker navenant veel beter betaald? Maar onze leraarssalarissen zijn zeker niet hoger. En er zijn heel wat landen die een zomervakantie van drie maanden normaal vinden. Nederlandse leraren blijven in mondiaal perspectief, wat ik in deze krant ooit genoemd heb, de Stachanovarbeiders van het onderwijs.

Bij het heersende lerarentekort is aan een vermindering van de weektaak niet te denken. Die wordt eerder zwaarder nu scholen worden gedwongen echt het voorgeschreven aantal lesuren te geven. Studiedagen en proefwerkperiodes zijn ontmaskerd als verkapte pogingen de werkdruk wat te verminderen – niet ten onrechte.

Maar draai de duimschroeven nu niet verder aan. Het voortgezet onderwijs is nog steeds niet bekomen van de klap die de salarisreductie in de jaren tachtig heeft teweeggebracht. Het laatdunkend bejegenen van het ‘oude leren’ door Ginjaar-Maas en Netelenbos heeft veel ervaren docenten weggejaagd en jong talent doen twijfelen of het onderwijs nog wel voldoening kon geven.

Als iemand die beide onderwijssectoren aan den lijve heeft ondervonden, vraag ik geloof te hechten aan mijn ervaringsdeskundigheid: experto crede.

Dr. Anton van Hooff was dertig jaar docent antieke geschiedenis aan de Universiteit Nijmegen. Sinds anderhalf jaar is hij leraar klassieken aan het Stedelijk Gymnasium Nijmegen.