Ouderen in Nederland het beste af

De kans op goede zorg voor ouderen is in Nederland en Scandinavië het grootst. Grieken zijn het slechtst af. Maar wat ‘mantelzorg’ betreft kan Nederland nog iets van Zweden opsteken.

DEN HAAG, 12 APRIL. - Ouderen met lichamelijke of geestelijke beperkingen zijn in Nederland, Denemarken en Zweden het beste af. De kans op goede thuiszorg en zorg in een verpleeghuis of ziekenhuis is in Nederland en Denemarken het grootst.

Dat blijkt uit het onderzoek ‘Verschillen in verzorging’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in Den Haag naar de zorg voor ouderen in negen landen van de Europese Unie, dat vandaag in Den Haag is gepubliceerd.

In de mediterrane landen zoals Spanje en Italië is de kans op enige hulp voor ouderen met beperkingen het kleinst. Grieken zijn volgens de onderzoekers het slechtst af, omdat thuiszorg nauwelijks bestaat.

De groeiende groep ouderen en de stijgende vraag naar meer en betere verzorging drijft in tal van Europese landen de kosten voor de zorg steeds meer op. Als gevolg van de toenemende behoefte aan langdurige zorg is een aantal landen, zoals Nederland, Duitsland, Zweden, Oostenrijk en Engeland, bezig het zorgstelsel aan te passen of opnieuw in te richten. Hoe lossen omringende landen de toenemende vraag naar zorg voor ouderen op en hoe is de balans tussen vrijwillige (informele) zorg door familie of vrienden en de professionele (formele) zorg, die publiek of particulier gefinancierd wordt, vroegen de onderzoekers van het planbureau zich af. Zij vergeleken negen Europese landen.

Volgens onderzoeker Isolde Woittiez van het SCP is Nederland „met het oog op de demografische ontwikkeling in ieder geval op de goede weg”. De behoefte aan zorg wordt voor een belangrijk deel gedekt door de professionele zorg, blijkt uit het onderzoek. En de formele zorg in Nederland is van een vergelijkbaar hoog niveau als die in Denemarken, de koploper in Europa.

In Nederland heeft circa 30 procent van de 65-plussers, 400.000 mensen, te maken met lichamelijke beperkingen, die het dagelijks functioneren belemmeren. Ruim 40 procent van hen maakt gebruik van thuiszorg, een verpleeghuis of ziekenhuis. En 25 procent leunt op informele zorg – van echtgenoot, kinderen, familie of buren. In de Zuid-Europese landen, zoals Griekenland, Spanje en Italië, is de verhouding andersom. De formele zorg is in deze landen beperkt; het overgrote deel van de ouderen is afhankelijk van familiale hulp. „Maar het mediterrane model erodeert’’, zegt Evert Pommer van het Sociaal en Cultureel Planbureau, die het onderzoek coördineerde. Het familiemodel staat onder druk door de afname van het aantal gezinnen met kinderen en de stijging van het aantal werkende vrouwen. „Het zijn vooral migranten uit Oost-Europa en Noord-Afrika die het model van informele hulp in de Zuid-Europese landen in stand houden.” Pommer wijst erop dat Spanje en Italië de afgelopen jaren al diverse keren een generaal pardon voor illegalen hebben afgekondigd, omdat ze de migranten hard nodig hebben. Nederland, de Scandinavische landen, maar ook Frankrijk, kennen een veel groter circuit van formele zorg.

Hoewel 70 procent van de ouderen kan rekenen op formele en informele zorg, blijkt uit het onderzoek dat 30 procent van de ouderen met beperkingen geen hulp krijgt. „Een raadsel’’, zeggen Woittiez en Pommer. Verder onderzoek naar deze groep is geboden. Ook in Nederland gaat het om 33 procent van de ouderen met beperkingen. „We weten niet of het terecht is dat deze groep geen hulp krijgt’’, zegt Pommer. Mogelijk geeft de huisarts geen indicatie af voor hulp aan deze mensen, terwijl ze die toch nodig hebben. Een andere mogelijkheid is dat deze ouderen de onzichtbare mantelzorg krijgen van naaste familieleden, die echter nergens wordt geregistreerd. Pommer: „Wat dat betreft kan Nederland iets opsteken van Zweden. Daar is de mantelzorg geprofessionaliseerd en is het opnemen van zorgverlof voor ouderen de gewoonste zaak van de wereld.’’

De publicatie is te bestellen bij het SCP via www.scp.nl