Nasleep

Waarachtig! Een oud moedertje, door iedereen over het hoofd gezien, een kakkerlak tegen de muur, een onnaspeurbaar aanbaksel dat over de grond kroop, als hoofd van een drugsbende! ’t Zou al een verbazende constructie zijn geweest wanneer ze als dekmantel had gediend voor de praktijken van haar twee zonen, maar nog verbazingwekkender was het dat haar zonen van niets wisten. De politie had ze allebei vrijuit moeten laten gaan.

Haar echtgenoot, de Braziliaan met het spraakwater en de arm vol Rolexen, was wel gearresteerd. Hij had voor de distributie van de cocaïne gezorgd. Hij was de lokale man. De afnemer van de handelswaar van zijn vrouw. Een loopjongen was hij geweest, maar wel een rijke.

Ik dacht terug aan de laatste keer dat ik in de Kantine van de Weemoed was. Aan de stamtafel van de aannemers, het dichtst bij de kachel, was het druk. Er werd weer gedronken en gelachen van jewelste, maar af en toe ook nam het gedruis in kracht af om over te gaan in een merkwaardig gefluister. Koppen bij elkaar, blik van verstandhouding, klap op de schouder. Paulo, de beginnende aannemer uit het dorp waar ik woon, werd bemoedigend in zijn arm geknepen.

Er zat voor ’t eerst ook een Zwitser bij, die ik nog kende van de skelterbaan die hij jaren geleden had geëxploiteerd. Altijd had hij al op kermissen gewerkt, vertelde hij. Hij was vervolgens in de bouw gegaan en, weer een tijd later, eigenaar geworden van een bordeel, verderop aan de Grote Weg, een betonnen geval met Braziliaanse meisjes zonder papieren. Kermisbloed verloochent zich niet.

Dat bordeel had hij gekocht van de Braziliaan aan wiens tafel hij nu zat, de tafel van Ali Baba en zijn rovers.

De Kantine van de Weemoed liet veel vraagtekens achter.

Wat wisten de aannemers van de smokkel en in hoeverre waren ze er bij betrokken? Bouwden ze of dealden ze? Hoe was de pikorde?

Een paar aannemers zagen we in elk geval een tijdlang niet terug. Of dit op toeval berustte? Niemand die het durfde te beweren.

Eén van de zonen zag ik nog terug. Ik was een dag naar de stad en ineens verrees hij naast me, terwijl ik op een terras zat. Hij was ober geworden bij een wildvreemde baas en lachte stuntelig naar me.

Amadeo werkte een tijdlang op de slagersafdeling in de supermarkt. Hij wist alles van hakken en uitbenen en wegen. Op dit moment is hij de zetbaas van een uitspanning bij de rivier beneden, eigendom van de gemeente en alleen in de zomer open.

De Kantine van de Weemoed is nog een paar maanden heropend geweest, onder een andere eigenaar. Het werd geen succes.

De eigenaar beschikte over een bolronde dochter die naar elke tafel kwam toegerold om te vragen, met haar neus pal op het bord, of het smaakte. Dat was voor menige gast teveel van het goeie. Zelfs het besef op een plek te zitten waar zich de grootste misdaad van de gemeente had afgespeeld wist de eetlust niet te redden. Het restaurant moest sluiten, definitief.

Tot zover het hoofdstuk van de Kantine van de Weemoed.

Gerrit Komrij