‘Het zijn nu de klanten die de thuiszorg sturen’

Nu de gemeenten de huishoudelijke hulp regelen, is er veel geld bespaard. Toch is de zorg niet slechter. „Dacht u dat ik als wethouder een beetje mijn gang kon gaan?”

Piet Vreeswijk heeft een „goed gevoel” over de WMO. Deze Wet maatschappelijke ondersteuning bestaat sinds 1 januari. Gemeenten zijn sindsdien verantwoordelijk voor huishoudelijke hulp, en marktwerking heeft haar intrede gedaan.

Vreeswijk is beleidsmedewerker van de belangrijkste cliëntenorganisatie van chronisch zieken en gehandicapten, de CG-Raad. Bij het meldpunt van de raad kwamen slechts 100 klachten binnen – en er zijn 400.000 mensen die hulp ontvangen. „Dat is dus eigenlijk nul komma nul”, zegt hij. Van groot belang is volgens hem dat in de WMO de ‘compensatieplicht’ staat: mensen moeten voor hun beperking worden gecompenseerd om aan de samenleving te kunnen deelnemen.

Toch krijgen nu verreweg de meeste cliënten nog slechts de eenvoudige huishoudelijke hulp (in vakjargon hh1: schoonmaken) en niet de duurdere variant (hh2: schoonmaken plus begeleiding en ondersteuning). Volgens Wmo-projectleider Bob van der Meijden van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is de verhouding nu 85 procent eenvoudige huishoudelijke hulp en 15 procent de duurdere variant. Vóór 1 januari was dat omgekeerd.

De meeste gemeenten schakelen voor de indicering nog steeds het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg) in. Het CIZ bevestigt dat het „niet strenger is gaan indiceren”. Volgens Van der Meijden (VNG) was er dan ook sprake van „oververzorging: zwaardere zorg dan nodig”. Een lezing die, opmerkelijk, wordt gedeeld door Vreeswijk van de CG-Raad. Volgens hem hadden zorgaanbieders „speelruimte” om onnodig duurdere zorg te geven. Dat kon omdat het CIZ voorheen alleen een globale indicering gaf met een lijst van te verrichten activiteiten. „Het systeem werd door het aanbod van de zorgaanbieders gestuurd, terwijl het nu door de vraag van cliënten gestuurd wordt”, zegt Vreeswijk. „Ik heb ooit eens tegen een Kamerlid gezegd dat ze best een parlementaire enquête konden instellen.”

Volgens Van der Meijden (VNG) was bij zorgaanbieders „geen enkele prikkel zuinig met gemeenschapsmiddelen om te gaan”. Hij vindt dat gemeenten „veel secuurder” met het geld omgaan. De Middelburgse wethouder Albert de Vries (Sociale Zaken, PvdA) hekelt de SP, die bij monde van Tweede Kamerlid Agnes Kant („Uitholling van thuiszorg gaat van kwaad tot erger”) de WMO onder vuur neemt. De SP is volgens De Vries bezig met „angstzaaien”. „Dacht u dat ik als wethouder een beetje mijn gang kon gaan”, zegt hij. „We hebben nu een WMO-adviesraad met ook vertegenwoordigers van cliënten die echt goed meekijkt.” De Vries wil het CIZ vragen wat sneller de duurdere hulp te indiceren. Maar per saldo zal er volgens hem toch veel minder dure hulp worden gegeven. „Als je mensen te veel hulp geeft, neem je ze af dingen zelf te doen. Het lijkt een budgetpraatje, maar wij investeren het bespaarde geld dan liever in welzijn en diensten.”

Het ‘Zeeuwse model’ is elders een voorbeeld. Om een prijzenslag en uitholling van zorg te voorkomen concurreren zorgaanbieders alleen op kwaliteit tegen vastgestelde tarieven. In Eindhoven zijn volgens wethouder Hans-Martin Don (Sociale Zaken, SP) met een variant op het Zeeuwse model problemen voorkomen door één vastgesteld uurtarief (19,50 euro) voor de goedkopere en de duurdere variant van hulp te hanteren. Het voorkomt „veel gedoe” bij de indicering. Bovendien hoopt Don dat zo de goedkope alfahulpen (zelfstandigen met weinig rechten) kunnen verdwijnen, omdat in Eindhoven het lage uurtarief voor goedkope hulp immers niet wordt toegepast. De alfahulpen zouden tegen betere voorwaarden bij zorgaanbieders in dienst kunnen komen. Don is „enthousiast” over de WMO: „Het brengt de gemeente dichter bij de burger.” Op de harde kritiek van partijgenoot Kant reageert hij niet. „Ik praat voor Eindhoven.”

Volgens voorlopige cijfers die de VNG ontleent aan onderzoek uit de branche en van cliëntenorganisaties zijn door de marktwerking de uurtarieven (onder de AWBZ 15,20 euro voor goedkope hulp en 24,30 euro voor de duurdere variant) gemiddeld met ruim 10 procent gedaald. Door verschuiving van duurdere naar goedkopere hulp levert dat een jaarlijkse besparing van 100 tot 150 miljoen euro op bij een budget van ruim een miljard. De woordvoerder van branchevereniging Actiz (500 zorgaanbieders met 400.000 werknemers) zegt „geen flauw idee” te hebben of vroeger zo veel geld onnodig is uitgegeven.

Mail uw ervaringen met de WMO naar wmo&nrc.nl