Goede violen uit fout hout

Vioolbouwers zijn niet in staat het juiste hout voor hun violen te kiezen. Althans, niet zolang ze daarbij volgens traditie te werk gaan: het hout bekloppen, op de hand wegen en op het oog keuren. Meestal kiezen ze hout dat er mooi uitziet, maar dat heeft lang niet altijd goede akoestische eigenschappen.

Houtexperts uit Oostenrijk, Duitsland en Australië rapporteren hierover in het aprilnummer van de Journal of the Acoustical Society of America. Eerste auteur is Christoph Buksnowitz van de Universität für Bodenkultur in Wenen.

Voor de aanval op de mythe van ‘vakmanschap is meesterschap’ zijn veertien Oostenrijkse vioolbouwers aangetrokken. Zij kregen 84 vurenhouten plankjes met een dikte van 16 millimeter te beoordelen. Vurenhout, het hout van de fijnspar (Picea abies) is het hout dat traditioneel voor de klankkast van violen wordt gebruikt. Het komt meestal uit de Alpen of Karpaten waar het boven de duizend meter hoogte langzaam groeit. Het wordt in de lengterichting precies uit het dikste deel van de stam gezaagd (kwartiershout).

De vioolbouwers beoordeelden de plankjes met het oog van de meester op akoestische en esthetische kwaliteit en op ‘algehele’ geschiktheid. De wetenschappers gebruikten apparatuur en maten de geluidssnelheid in het hout en de demping en resonantiefrequentie. Bovendien maten ze de sterkte (elasticiteit) en hardheid, hoewel dat van minder belang is voor de akoestiek. Ten slotte werd ook de anatomie van het hout, zoals de fijnheid en regelmaat van de vernerving beoordeeld.

Statistische analyse kon bijna geen verband vinden tussen de subjectieve beoordeling van de vioolbouwers en de objectief gemeten parameters van akoestiek en houtkwaliteit. De conclusie is eenduidig: de vaklui kiezen vaak het verkeerde hout. De wetenschappers oordelen mild: dankzij hun vakmanschap maken ze daar toch heel goede violen van.