Dodelijke fusie in de Maghreb

Al-Qaeda in de Maghreb beschouwt zichzelf als ‘een gezegende unie voor terreur’.

Marokko en Algerije voelen nu de dodelijke gevolgen.

Zeker 30 doden vielen gisteren in Algiers bij twee zware bomaanslagen – een op het hoofdkwartier van premier Abdelaziz Belkhadem in het centrum van de hoofdstad en een aan de oostelijke rand van de stad. Een dag eerder bliezen drie terreurverdachten zich op bij een veiligheidsoperatie van de Marokkaanse politie in Casablanca, en werd er één, die naar later bleek eveneens een bomgordel droeg, door de politie gedood. De Marokkaanse autoriteiten zijn nog op zoek naar tien potentiële zelfmoordterroristen die zich in Casablanca zouden schuilhouden. Ook met explosievengordels om.

Het verband tussen beide gebeurtenissen is de fusie tussen de Algerijnse Salafistische Groep voor Prediking en Geweld (GSPC), en Osama bin Ladens terreurnetwerk Al-Qaeda. Terreurgroepen uit andere Noord-Afrikaanse landen – Marokko, Tunesië, Libië, Mauretanië – zouden zich daarbij hebben aangesloten. De „gezegende unie” werd op de vijfde verjaardag van de aanslagen van 11 september 2001 bekendgemaakt door Al-Qaeda’s nummer twee, de Egyptenaar Ayman al-Zawahiri, die de GSPC opriep „een graat in de keel van de Amerikaanse en Franse kruisvaarders te worden”. Eind januari volgde de mededeling van GSPC-leider Abdelmalek Droukdel dat de nieuwe Noord-Afrikaanse combinatie de ‘Al-Qaeda organisatie in de Islamitische Maghreb’ zou heten – te vergelijken met Al-Qaeda-in-Irak dat onder de Jordaniër Zarqawi berucht werd. Gisteren eiste de nieuwe groep de verantwoordelijkheid op voor de aanslagen in Algiers en Casablanca.

De Amerikaanse autoriteiten hadden de ontwikkeling zien aankomen. „De GSPC is een regionale terroristische organisatie geworden die rekruteert en opereert in al uw landen en verder dan dat”, zei de toenmalige terreurcoördinator van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, Henry Crumpton, ruim een jaar geleden op een antiterreurconferentie in Algiers. „Zij smeedt banden met terroristische groepen in Marokko, Nigeria, Mauretanië, Tunesië en elders”, zei hij. En hij waarschuwde dat de Al-Qaedaleiders misschien geïsoleerd zaten in hun schuilplaatsen, maar dat dit regionale groepen niet had verhinderd onderling onafhankelijke netwerken te vormen.

Na Zawahiri’s bekendmaking nam de terreuractiviteit toe van wat toen nog de GSPC heette – met in februari onder andere zeven gelijktijdige aanslagen op politiebureaus in de Berberregio Kabylië, waarbij zes doden vielen. De aanslagen werden in de Algerijnse regeringspers op de binnenpagina’s gemeld, en minister van Binnenlandse Zaken Yezid Zarhouni zei dat de GSPC was gereduceerd tot een paar honderd man in Kabylië.

De Marokkaanse autoriteiten zagen daarin wel degelijk een nieuwe dreiging, en kondigden een verhoogde staat van paraatheid af. Het State Department waarschuwde Amerikaanse reizigers voor een „beduidend veiligheidsrisico” in Algerije.

De Franse antiterreur-rechter Jean Louis Bruguière zei in februari dat de Noord-Afrikaanse alliantie met Al-Qaeda een gevaar vormt voor Europa. „De GSPC wil aanslagen plegen in Europa en Noord-Afrika destabiliseren”. Ook Crumpton waarschuwde daar al voor: „We zien toegenomen samenwerking tussen terroristische groepen in de regio en, helaas, ook nieuwe banden met groepen buiten de regio, inclusief Europa.”