De Noord koopt bij de Spar, anders blijft er niets over

Het platteland wordt stil. Te stil soms. Ook in rustige dorpen moet gewoond en gewerkt kunnen worden. Provincies geven steun. „Anders bloedt het hier dood.”

Kapper Frank zit bij de ingang van zijn kapsalon. Er zijn geen klanten. De zaken gaan best goed. „Ik zit hier al zestien jaar”, zegt Frank Haring. De zaak is gevestigd in De Noord, een klein dorp in de buurt van het Noord-Hollandse Heerhugowaard. Er wonen slechts vijftienhonderd mensen, en als je het buitengebied meetelt nog eens vijftienhonderd meer. Kapper Frank: „Er wonen hier weinig mensen. Maar mijn klanten komen van uit de wijde omgeving. Je kunt hier vrij parkeren voor de salon. En ik heb een persoonlijk contact. Als een klant binnenkomt, weet ik nog precies waarover we de vorige keer gesproken hebben. Dat contact is voor de mensen heel belangrijk.” De deur gaat open, een heer wil geknipt worden.

Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn in De Noord. Er zijn wel eens actiegroepen geweest die de gemeente Heerhugowaard hebben gewaarschuwd vooral niets te bouwen in het dorp, maar die tijden zijn voorbij. „We hebben gezegd: doe iets, want anders bloedt het hier dood”, vertelt Rina Bergisch, secretaris van de dorpsraad. Er zijn veel winkels verdwenen. Er zijn jonge mensen weggetrokken. Het aantal vrijwilligers stokt. En de basisschool werd even met opheffen bedreigd door het lage aantal kinderen.

We staan naast de enorme katholieke kerk, waar nog altijd twee keer per weekeinde een dienst wordt gehouden. „Hier ben ik gedoopt”, vertelt een vrouw die haar hondje uitlaat. Het is Marja van Langen. „Ik ben twee jaar van mijn leven weggeweest uit dit dorp. Ik woonde in het centrum van Heerhugowaard. Maar ik was blij dat ik weer terug kon. Ik woon hier als in een warm nest.”

Tegenover de kerk huist de kruidenierswinkel van Arno Groen. De Spar. „Er zaten hier vroeger twee bakkers, een slager, een elektronicawinkel en vier supermarktjes. Ik ben als enige overgebleven”, vertelt hij. Groen zegt het wel te kunnen bolwerken met zijn winkel „voor dagelijkse en vergeten boodschappen”. De nering behelst niet alleen levensmiddelen maar ook een slijterij, een drogisterij en een stomerij. En hij verkoopt postzegels. „Dit is een familiebedrijf. Het is hier in het dorp ons kent ons. De mensen gunnen je de omzet.” Rina Bergisch van de dorpsraad: „Wij kopen zo veel mogelijk bij de Spar. Want anders houdt hij ermee op en hebben we geen winkel meer.”

Over een maand gaat in De Noord een nieuw servicepunt open. Het filiaal van de bibliotheek uit Heerhugowaard schikt in, om ruimte te bieden aan een balie van de Rabobank die anders misschien zou zijn verdwenen. Er komen computers van de woningcorporatie en de gemeente. Er komt een spreekkamer. En er wordt ruimte gereserveerd voor welzijnsinstellingen. En de bibliotheek was maar negen uur per week open, dat wordt nu achttien uur.

Het servicepunt moet de leefbaarheid in De Noord vergroten. „Het dorp is nu nog niet verstild, maar we willen wel voorkomen dat zoiets gebeurt”, zegt Inge Vosse, projectleider van een wijkvernieuwingsplan voor de Noord bij de gemeente. Onlangs is het plan goedgekeurd voor de bouw van 125 woningen in De Noord, waarvan bijna de helft in de goedkope sector. „Om starters een kans te geven.” En om te voorkomen dat de school moet sluiten.

De leefbaarheid van de kleine dorpen ligt de provincie Noord-Holland na aan het hart. Gedeputeerde Rinske Kruisinga (CDA) heeft meebetaald aan het servicepunt in De Noord, waarvan de kosten ongeveer één ton bedragen. Kruisinga: „Wij vinden de leefbaarheid belangrijk. Het moeten geen dooie dorpen worden. Om de dorpen aantrekkelijk te houden, heb je een gezonde mix van jong en oud nodig. Daar dragen wij aan bij. Als na verloop van tijd blijkt dat er geen gebruik van wordt gemaakt, pas dan zullen we de dorpsbewoners een spiegel moeten voorhouden. Tot die tijd steunen we de dorpen graag.”

Ook andere provincies hebben allerlei regelingen om het platteland vitaal te houden. Noord-Brabant geeft startsubsidies als „vliegwiel” voor andere investeerders in dorpen, die veelal neerkomen op het beperkt bouwen van woningen en investeren in gemeenschapsgebouwen. Gedeputeerde Wim Luijendijk (PvdA): „De gemeenschapszin in de dorpen moet van de mensen zelf komen. Maar we willen ze wel helpen.”

Overijssel geeft steun aan kulturhusen. Zo’n kulturhuus is „een combinatie van non-profit en zakelijke dienstverlening op het gebied van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie”, onder één dak en onder één beheer, aldus de provincie. Er zullen er over een paar jaar enkele tientallen staan in Overijssel, en ook in Gelderland en Utrecht zijn er veel. De Overijsselse gedeputeerde Jan Kirsten (PvdA): „Het voorzieningenniveau in de dorpen loopt geweldig achteruit, van verenigingsleven tot flappentap. Mensen hebben daar behoefte aan. Als ze een plan maken, dan geven wij een aanjaagsubsidie. Maar het moet wel van de mensen zelf komen.”