Belg prijst zwakte als deugd aan

Nederland kan als klein land beter uit Afghanistan wegblijven, poneert J.L. Heldring (Opiniepagina, 29 maart). Als bewijs haalt hij Brice de Ruyver, veiligheidsadviseur van de Belgische premier Verhofstadt, aan, die zich afvraagt of een paar honderd man een verschil kunnen maken. Een klein land zou extra kwetsbaar zijn en bescheiden keuzes moeten maken.

Mijn antwoord hierop is: Speak for yourself, De Ruyver! De Belgische krijgsmacht is noch in kwantiteit noch in kwaliteit te vergelijken met de Nederlandse en de terechte Belgische bescheidenheid mag daarom niet naar de Nederlandse situatie worden geëxtrapoleerd.

Confederaties hebben grote interne bestuursproblemen, waardoor de opbouw van een behoorlijke krijgsmacht vaak sluitpost van de begroting is. Dat geldt voor België maar ook voor Canada, dat met een tweemaal zo groot nationaal inkomen een krijgsmacht in stand houdt die in vele opzichten onderdoet voor de Nederlandse.

Sinds de NAVO in 2004 de verantwoordelijkheid voor de International Security Assistance Force (ISAF) heeft aanvaard, hebben lang niet alle lidstaten zich ingezet om van deze missie een succes te maken. Nederland heeft sinds 2002 naar vermogen bijgedragen aan het succes van ISAF en daarmee impliciet aan de toekomst van de NAVO. Begonnen in december 2001 in Kabul en directe omgeving, strekt de missie zich sinds vorig jaar uit over het hele land. De huidige bijdrage van ons land van zo’n 1700 man is een belangrijke bouwsteen en vergelijkbaar met wat grotere landen op de been brengen.

Nu roept Heldring de vraag op of Nederland de grootste van de kleine landen wil zijn of de kleinste van de grote. Het zou wellicht aantrekkelijk zijn voor de eerste optie te kiezen, ware het niet dat je dan wordt teruggefloten door partners als België die hun onvermogen als deugd presenteren. Daarom is het praktischer aan te sluiten bij grotere landen en verantwoordelijkheden te aanvaarden die bij die keuze horen. Dat grotere landen dit begrijpen blijkt uit de positie van Australië, dat zich in Uruzgan bij Nederland heeft aangesloten.

Heldring suggereert voorts dat het Nederland niet is begonnen om de hearts and minds van de Afghaanse bevolking te winnen, maar om het schoonwassen van de schande van Srebrenica. Als dat al waar is, vraag ik mij af of het een het ander logischerwijze uitsluit.

De Nederlandse krijgsmacht heeft zich sinds het begin van de jaren negentig – meer dan enig andere in Europa – getransformeerd naar wat zij nu is: een expeditionaire krijgsmacht die met goed getraind personeel en uitstekende middelen, waaronder gevechtshelikopters en transportvliegtuigen, in staat is een missie op grote afstand lang vol te houden. Met in relatieve zin de helft van het budget van de Koude Oorlog is dat een knappe prestatie waar menig groter land jaloers op kan zijn.

Van zeker evenveel belang is dat de politiek is meegegroeid. De tijd is voorbij dat louter op internationale instituties werd vertrouwd, wat heeft geleid tot een herwaardering van nationaal militair vermogen. Een internationaal georiënteerd land als Nederland zet in Afghanistan dan ook zijn betrokkenheid (militaire) kracht bij. Heldring zal ongetwijfeld repliceren dat het ‘weinig martiale’ Nederland niet bereid is de consequenties van dit beleid te aanvaarden. Dat is ‘oud denken’ en een onnodige zelfmarginalisering van onze internationale positie.

Drs. A.C. Tjepkema is hoofddocent aan de Nederlandse Defensie Academie.

Lees Heldrings column na op www.nrc.nl/ opinie.