Appèl

Minister Bos deed gisteren in het parlement een moreel appèl aan de topbestuurders van Nederlandse ondernemingen. Zie af van al die buitensporige beloningen, maande hij.

Bos eiste niets, integendeel, hij zei er bijna achter: „Al doen jullie het maar voor mij, want ik heb het al moeilijk genoeg. Eerst kreeg ik de Oude Socialisten over me heen – nog bedankt Marcel en Jan – en nu beginnen de Jonge Socialisten ook al te emmeren. Mijn god, noem me drie maatregelen waarmee ik mijn leiderschap weer op de rails krijg.”

Om te peilen of zo’n moreel appèl enige zin heeft, heb ik meteen enkele captains of industry en vastgoedmagnaten opgebeld. Dat was niet eens zo makkelijk, want velen lagen verscholen achter een postbus op de Kaaimaneilanden, of zaten druk te praten op de achterbank van een geblindeerde politieauto, die steeds onderweg was van Amsterdam naar Wassenaar en dan weer terug.

„Wat kan ik voor je doen?” riep één van hen ten slotte boven drukke muziek en hoog damesgegiechel uit. Op de achtergrond hoorde ik het geluid van rondspattend water, luide stemmen en een vrouw die riep: „Kom er nou bij, geile beer.”

„Stoor ik?” vroeg ik, beleefd als altijd.

„Nogal’’, zei hij, „ik geef mijn buitenlandse relaties net een sightseeing tour door Amsterdam. Maar wat wil je?”

Ik probeerde hem iets uit te leggen over het morele appèl van Wouter Bos, maar het leek niet erg tot hem door te dringen.

„Van wie ben jij ook weer?” vroeg hij opeens.

„Van mezelf’’, flapte ik eruit.

„Dat is niemand. Ik bedoel: wie is je baas? Jij bent toch van PCM?”

Ik gaf het schoorvoetend toe.

„Now we are talking. Ik las dat bij jullie de ene na de andere topbestuurder vertrekt, dus er moet inmiddels wel een plekje voor mij zijn vrijgekomen. Ik hoef niet veel te verdienen, het enige waar we het over eens moeten worden is het kerstpakket en, ik vergat het bijna, de gouden handdruk. Wanneer hoor ik van jullie?”

Zijn stemde zakte steeds verder weg, en ik maakte tactvol een einde aan het gesprek. Toen belde ik met een bevriende commissaris van een niet nader te noemen belangrijke multinational. Verrassend genoeg nam hij niet zelf op, maar klonk er een stem die ik meteen uit duizenden herkende, ook al had ik hem al een poosje niet meer gehoord. Het was een ernstig, wat formeel klinkend geluid.

„Ik had niet naar u gevraagd, meneer Kok”, zei ik haastig, „maar nu ik u tóch heb...”

„Zegt u het maar, het zal wel weer over mijn salarisverhoging gaan.”

„Ach, achttien procent, wij vinden dat bij PCM nog heel bescheiden. Die 2,5 ton van u voor drie commissariaten, dat verdienen wij hier in de postkamer. Maar wat vindt u van dat morele appèl van Bos?”

„Ik houd de politiek niet meer zo goed bij”, zei hij stroef, „je moet je opvolgers niet voor de voeten lopen. Dan maak je het alleen maar nóg lastiger voor ze.”

In arren moede belde ik toen maar mijn vrouw, zoals bekend altijd op de bres voor de PvdA-in-nood. Ik legde haar mijn bevindingen voor, maar ze zei alleen maar streng: „In dit stadium onthoud ik me van ieder commentaar.”