Zuurstof

In de week voorafgaande aan de Ronde van Vlaanderen sleepte ik de ene na de andere Belgische krant uit de kiosk. Wie lijdt er aan een likdoorn, en wie aan een fistel? Wie heeft een doorgedreven duurtraining gedaan en wie zit even in een mentale dip? Ik mag graag lezen dat Peter van Petegem, met het oog op De Ronde, al zeven weken niet meer aan seks heeft gedaan. Dat Tom Boonen bij het opstaan drie maal kuchte.

Ik weet ook wel dat de klad er een beetje inzit. Coureurs laten niet meer zo snel het achterste van hun tong zien, en de Vlaamse dagbladpers ziet zich steeds vaker genoodzaakt een vaag signaal tot perswaardige proporties op te blazen. Maar mij gaat het om de cultuur, om de analytische aanbidding.

In Vlaanderen is een coureur veel meer dan een sportheld. Hij is de gezondene die het lokale, regionale of nationale hart verlost. Opgestaan uit het volk fietst hij vóór het volk. Zoals het in oude katholieke streken gebruikelijk was dat minstens één zoon uit een gezin het religieuze pad bewandelde, zo bestijgen de geroepenen hun vederlichte fietsjes. Ik heb nog een mooie herinnering.

Ik was veertien en ik had een licentie van de NWB, een ‘wildenbond’ die het onontgonnen wielergebied bestreek tussen Maas en Peel. Op een zondag stond een zekere Danny L. uit het Belgische Liedekerke aan de startlijn. De wildenbond had geen bezwaar tegen buitenlanders, dus Danny L. vloog gewoon met ons mee door de bochten van het kermiskoersje. Hij bleek een ferme tegenstander, regelmatig nam hij de bloemen mee de grens over.

Danny L. streek in een volgepakt busje neer in de plaats van handeling. Daarna ging het in optocht naar het kleedlokaal, een willekeurige garage op particulier adres. Pa leidde de fiets aan de hand, een zusje droeg zijn tas. Een debiele neef droeg de fietspomp, zijn moeder een plaid. Een achterneef droeg de plastic wasbak, een broer een gereedschapskist. Hijzelf droeg niets, tenzij de last om te winnen. Pa klapte ten slotte een kampeerstoel uit. De held zeeg neer, waarna pa zijn benen insmeerde met scherp riekende groene olie.

Na de koers ging Danny L. opnieuw in de kampeerstoel zitten. Zijn moeder waste zijn benen, zijn borst en zijn kruis nadat zij hem zorgvuldig had ontkleed – zijn zus had de wasbak met handwarm water gevuld, en pa evalueerde luidruchtig de koers. De neef demonteerde het materiaal en plaatse alles vakkundig terug in het busje. De debiele achterneef deed aan zelfkastijding, of er gewonnen was of niet.

Ik raakte bevriend met Danny L. Soms beklaagde hij zich erover dat hij nooit, nooit eens alleen kon zijn in zijn passie. Ja, hij had talent, dat wist hij zeker, maar hij had het gevoel dat het talent werd leeg gelepeld door al die mensen die het zo goed met hem voor hadden. Talent vereist een minimum aan vrije zuurstof, zei hij. Ik had het meteen door: coureur worden in Vlaanderen is een helse onderneming.