Wat ik geloof, heeft niets te maken met de PvdD

Eigenlijk is het zonde om energie te steken in beschuldigingen die nergens over gaan. Vooral als er zoveel belangrijker werk te doen is. Maar omdat perceptie kan botsen met realiteit, neem ik de moeite om de selectieve fascinatie van sommigen over mijn privéopvattingen tegen het licht te houden.

Het begon met een artikel van godsdienstfilosoof Smedes die binnen een stroom artikelen over dierenrechten meende een nieuwe invalshoek gevonden te hebben: ‘Thieme had de evolutietheorie niet mogen schrappen’ (Opiniepagina, 29 maart).

Zou mijn competentie zó ver reiken? Dat ik sinds 2002 deel uitmaak van een partijbestuur dat meent dat de evolutietheorie niet veel betekenis heeft voor de ontwikkeling van de Partij voor de Dieren is juist. Maar dat de 80 procent atheïsten in het bestuur van de PvdD gezwicht zou zijn voor mijn argumenten om de evolutietheorie niet tot speerpunt van ons Europese beleid te maken, is giswerk – en onjuist. Smedes zegt dat de reden van het niet-opnemen van de evolutietheorie ligt in mijn keuze voor de Adventkerk. Maar mijn lidmaatschap dateert van 2006 en kan niet in verband worden gebracht met een verkiezingsprogramma uit 2004.

Toen De Telegraaf me vroeg hoe ik het beschermen van dieren kon rijmen met de Bijbel, „een boek dat druipt van het bloed; de wreed geslachte lammetjes vallen zowat van de pagina’s af”, heb ik duidelijk gemaakt dat daar wel wat nuancering in past. Dat volgens het bijbelverhaal Adam en Eva in de ideaalsituatie alleen vegetarisch voedsel aten en dat de bijbelschrijver Jesaja optekent: „Wat moet ik met al jullie offers? Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer.” Met deze nuancering hoopte ik christenen in de bio-industrie, bijvoorbeeld op de bible belt, een andere kijk te geven.

Maar nuancering past niet in het beeld van „fanatieke kruisvaarders tegen al wat religie is”, zoals Maarten ’t Hart zichzelf aanduidt (NRC Handelsblad, 10 april). Ik kende zijn opvattingen al toen ik hem vroeg als lijstduwer. Maar ik zie levensbeschouwing als een privé-aangelegenheid en het opkomen voor de rechten van dieren als een overstijgend belang. Jammer dat ’t Hart daar anders over denkt. In zijn kruistocht komt hij tot een pleidooi voor een beroepsverbod voor christenen. Niet logisch binnen een partij die strijdt tegen elke vorm van discriminatie, ook die op basis van levensbeschouwing.

Wat ik verder ook geloof – ik richt me op een betere toekomst. Daarvoor wil ik me in het hier en nu inzetten. Al rond 1540 zei Maarten Luther dat zelfs als hij zou weten dat de wereld morgen zou vergaan, hij vandaag toch nog een boom zou planten. Daarin kan ik me vinden. Dat Maarten ’t Hart fantaseert over jurken waarmee christenen zich op hun toekomstverwachting voorbereiden, geeft hem mogelijk een zekere bevrediging, maar roept bij mij geen enkel beeld op. En wat het einde der tijden betreft: het zijn doorgaans niet meer de christenen die dat voorspellen, maar mensen als Al Gore die spreken van wereldrampen als „een reis door het boek Openbaringen” en het Wereld Natuur Fonds dat zegt dat we binnen vijftig jaar een tweede aardbol nodig hebben.

Waar ik me persoonlijk voor in wil zetten is een wereld zonder mensen- en dierenleed. Een wereld zonder onrecht. Daarin zie ik weinig ‘lugubers’, integendeel.

Ik respecteer de privéopvattingen van Maarten ’t Hart, en heb er alle begrip voor dat hij kennelijk zulke onaangename ervaringen met religie heeft gehad in zijn jeugd – hij kan er smakelijk over verhalen – dat hij er zich niet toe aangetrokken voelt. Maar ik zie daarin geen conflict met mijn streven om dieren meer rechten te geven. Dieren kunnen hun belangenbehartigers niet zelf kiezen. Ik betwijfel of ze ermee gediend zijn als mensen die zich hun lot aantrekken, elkaar voortdurend de maat nemen. De Partij voor de Dieren is een seculiere partij die mensen verenigt op thema’s als mededogen en duurzaamheid. Wie anders wil, moet elders zoeken.

Ik zal mij blijven inzetten voor het bestrijden van dierenleed. Dat boeit mij meer dan de seculiere inquisitie die het bestrijden van godsdienst als doel op zich lijkt te beschouwen.

Mr. Marianne Thieme is voorzitter van de Partij voor de Dieren.

De column van Maarten ’t Hart ‘De zondeval van Thieme’ is na te lezen op www.nrc.nl/opinie