‘Polen verdient een pak rammel’

Het verleden blijft Polen achtervolgen. Kazimierz Sulka werkte ooit bij de geheime politie – tot hij een bevel weigerde. Hij werd gevangen gezet. Maar nog steeds is hij een paria.

„Op een dag worden we gebeld. Mijn vrouw neemt op. Sla maar alvast planken in, zegt een stem aan de andere kant van de lijn. Wat voor planken, vraagt mijn vrouw, verbaasd. Voor de doodkist van je echtgenoot!”

Kazimierz Sulka (52) loopt leeg, als een ballon. „Dit is geen normaal land”, zegt hij, gezeten op een krukje, dat de grote man en zijn frustratie maar net kan dragen. „Polen is ziek en verdient een pak rammel.”

Ruim twintig jaar geleden werkte Sulka voor de SB, de geheime politie van het communistische regime, en maakte hij het leven van dissidenten zuur. Zijn eigen problemen begonnen toen hij, in het najaar van 1986, een bevel van zijn SB-superieuren weigerde. Het bevel om een politiek actieve, oppositionele priester te vermoorden.

Zijn ‘verraad’ kwam hem duur te staan: Sulka kwam in de gevangenis terecht en werd jarenlang gepest door oud-collega’s, ook toen Polen al lang weer een vrij land was.

„In het dorp”, zegt hij, terwijl hij door het raam naar de huizen onderin het dal wijst, „word ik nog steeds voor de voeten gespuugd.” Sucha Beskidzka, vlakbij Wadowice, de geboorteplaats van paus Johannes Paulus II in het zuiden van Polen, is niet meer het slaperige bergdorp dat het ooit was. Het kapitalisme, inclusief bedelaars, heeft er wortel geschoten: in de hoofdstraat wemelt het van de winkels en ruikt het naar kebab. „Maar in wezen is het nog steeds een communistisch dorp.”

Sulka is nog steeds beducht voor wraakacties. We mogen langskomen, maar worden eerst lang uitgehoord. „Ik moet er zeker van zijn dat dit geen valstrik is”, zegt hij vooraf, over de telefoon.

NRC Handelsblad sprak zeventien jaar geleden ook met Sulka. Dat was in 1990, vlak na de val van het communisme. Hij had toen net 26 maanden eenzame opsluiting achter de rug, officieel wegens het stelen van een hek, maar in werkelijkheid omdat hij in 1986 ontslag had willen nemen uit de SB. Zoals hijzelf destijds zei: „Bij de geheime politie komen is makkelijker dan er weggaan.”

Sulka was in die eerste democratische dagen veel in het nieuws, omdat hij voor een waarheidscommissie de methoden van de SB uitgebreid uit de doeken had gedaan. Hij eindigde zijn getuigenis met de hoop „dat er iets kan veranderen” in Polen. Zeventien jaar later koestert hij enkel wrok. „Ik heb nooit meer een echte baan kunnen vinden. Daar hebben mijn oud-collega’s wel voor gezorgd. Op een dag hing er op het prikbord bij de kerk opeens een tekst over mij – dat ik een bedplasser en een psychopaat ben. Typisch SB. Ik kan het weten.”

Die te liquideren priester heette Adolf Chojnacki, een naam die in Polen verbonden is met Soldariteit, de vrije vakbond van Lech Walesa. Net als de door de SB vermoorde priester Jerzy Popieluszko nam Chojnacki geen blad voor de mond, ook niet in Juszczyn, een plaatsje vlakbij Sucha Beskidzka dat in het ‘rayon’ van agent Sulka lag.

Sulka werkte voor afdeling IV van de SB, die de kerk in de gaten hield. Hij beschikte over een netwerk van informanten, onder wie priesters. „Gewone informanten kon je als stront behandelen, maar met priesters moest je omzichtig zijn. Als die over jou gingen klagen bij hun superieuren kon je dat je baan kosten.”

De moord op Chojnacki moest op een auto-ongeluk lijken. Een bergweg, een steen door de ruit – dat soort werk. Sulka wilde niet, vreesde voor zijn eigen leven als hij zou weigeren, ging toch maar een paar keer die bergen in. Maar de stenen bleven in de zak.

Het moordcomplot was het laatste hoofdstuk van een zorgvuldig geplande lastercampagne. De parochie was beklad, de telefoonlijnen waren doorgesneden en de honden van Chojnacki vergiftigd. Sulka had een stroom valse geruchten verspreid over de rebelse priester. Dat hij een westerse spion was; dat hij stiekem een kind had; dat hij dollar-inkomsten had; dat hij een antisemiet was.

Achter Sulka, in een kast, staat een rij klappers. Zijn leven, als dader en slachtoffer. Hij pakt blind een map en laat de door hem verspreide amateuristische prentjes zien waarop ‘Adolf II’ (Chojnacki) ‘Adolf I’ (Hitler) toejuicht. Later, toen Sulka zelf in de gevangenis zat, zou Chojnacki een goede vriend worden. De twee kinderen van Sulka zijn door de in 2001 overleden priester gedoopt.

„Hij stierf van verdriet”, zegt Sulka. Vader Chojnacki bleef na 1989 een luis in de pels, vooral van de kerk die de priesters onder de SB-informanten met rust liet en alles bedekte met de mantel der liefde. Hij werd overgeplaatst naar het buitenland, naar Roemenië en Oekraïne. Uiteindelijk kwijnde hij weg in een bejaardentehuis. Sulka: „De kerkleiding wilde hem de mond snoeren. Zij gelooft in engelen en ezels, maar de waarheid kan ze niet aan.”

Begin jaren negentig was Sulka kroongetuige in een rechtszaak tegen zijn superieuren. Die werden veroordeeld voor tientallen misdaden, maar niet voor het beramen van die moord. Harde bewijzen ontbraken. Verbrand, zegt Sulka. Zijn bazen kregen voorwaardelijke celstraffen en kwamen meteen op vrije voeten. „Ze konden verder met hun leven alsof er niets was gebeurd.” En volgens Sulka geldt dat voor veel oud-communisten.

Hij is dan ook zeer te spreken over Lech en Jaroslaw Kaczynski, de huidige president en premier van Polen. Zij hebben beloofd de rekening met de oud-communisten alsnog te vereffenen. De broers willen flink snoeien in de staatspensioenen van oud-spionnen en willen voormalige informanten alsnog aan de schandpaal nagelen. Sulka: „Sinds 1989 heeft geen enkele regering dat aangedurfd. Het is de hoogste tijd.”