Magere biënnale Filmmuseum

Filmmuseum Biënnale. 11 t/m 15 april. In: Filmmuseum; Muziekgebouw aan ’t IJ; Paradiso; De Duif en Tuschinski, Amsterdam.

De derde editie van de Filmmuseum Biënnale heeft een wel erg laag ambitieniveau. Was het niet ooit de bedoeling om de concurrentie aan te gaan met de twee prestigieuze festivals in Italië die gewijd zijn aan de vertoning van gerestaureerde kopieën, al dan niet met nieuwe muzikale begeleiding? Het lijkt wel of de directie van het Filmmuseum al haar aandacht en energie nodig had voor zijn nieuwbouw in Amsterdam-Noord en vergeten was dat er ook nog een Biënnale moest komen.

Het aantal filmvertoningen is dit jaar zeer beperkt, met enorme gaten tussen de verschillende voorstellingen. Een aantal films draaide al op eerdere Biënnales, zoals het vorige week heruitgebrachte The Night of the Hunter en De roverssymfonie. De vertoning van Ernst Lubtisch’ Ninotchka (1939) met Greta Garbo is een voorpremière voor het Lubitsch-retrospectief dat in mei op het programma staat, Dan blijft er weinig over, behalve de seminars die nauwelijks voor een gewoon publiek toegankelijk zijn.

Net als op de eerste twee Biënnales staat de relatie tussen film en muziek centraal, met speciaal gecomponeerde nieuwe scores bij oude films. Net als in eerdere jaren mogen we opnieuw luisteren naar de muziek van Fay Lovsky en Corrie van Binsbergen. Vaste Filmmuseumcomponist Henny Vrienten maakt dit jaar plaats voor Rainer Hensel, die veel met Theo van Gogh heeft gewerkt. Hensel componeerde spannende muziek in de traditie van Bernard Herrmann en Jerry Goldsmith voor de zwijgende film Such Men Are Dangerous (Kenneth Hawks, 1930). Draculavertolker Bela Lugosi speelt een plastisch chirurg die een miljonair een nieuw gezicht geeft, waarna deze in zijn nieuwe, knappe gedaante wraak wil nemen op zijn vrouw die hem vlak na hun huwelijk verliet.

Fay Lovsky maakte nieuwe muziek en een soundscape bij de film The Floor Below (1918), met comédienne Mabel Normand in de hoofdrol. Normand is ook te zien in twee andere speelfilms en twee compilaties met haar eenakters uit de jaren tien. In de publiciteit afficheert het Filmmuseum Normand als ‘the female Chaplin’ maar als dat zo was, zou ze ongetwijfeld niet in de vergetelheid zijn geraakt. Normand was een tijdgenoot van Mary Pickford. Beiden waren even klein en speelden soortgelijke rollen: kindvrouwtjes die spannende avonturen beleven. Wat de speelfilms interessant maakt is dat ze nog met één been in de slapsticktraditie staan – veel fysieke actie en grollen – en met het andere been al naar de meer psychologisch gedefinieerde speelfilm vooruitwijzen. Normand is op haar best in de slapstick, niet voor niets begon ze haar carrière bij producent Mack Sennett, de koning van het betere gooi- en smijtwerk.

Vader en zoon Paul en Menno de Nooijer zijn dit jaar de Artists in Focus. Naast een filmprogramma met hun vaak droogkomische, korte experimentele films die zich bewegen op het snijvlak van fotografie en film, is er een tentoonstelling aan hen gewijd.