Dramatiek komt te plotseling bij koningsdochters

Concert: Le Concert Spirituel o.l.v. Hervé Niquet, met Stéphanie d’Oustrac, mezzosopraan. Werken van Collasse, Lully, Desmarest, Destouches en Charpentier. Gehoord: 10/4 Concertgebouw

Hopelijk is de koningsdochter die gisteravond werd geboren een gelukkiger leven beschoren dan haar mythologische voorgangsters. Tijdens het concert van het Franse barokensemble Le Concert Spirituel, met hoogtepunten uit de Franse ‘tragédie lyrique’, verloor mezzosopraan Stéphanie d’Oustrac in de rollen van diverse koningsdochters haar geliefde, werd ze bedrogen, en stierf ze minstens tweemaal een voortijdige dood.

Toch had d’Oustrac eigenlijk een bijrol. Het grootste deel van het concert werd namelijk gevuld met instrumentale delen uit de opera’s: ouvertures, fanfares, en vooral veel dansen – niet verwonderlijk, aangezien de meeste werken in de buurt van de dansende ‘zonnekoning’ Lodewijk XIV ontstonden. Zo’n rigoureuze selectie uit veel omvangrijkere en vooral vocale werken werd meestal gerechtvaardigd door de kwaliteit van de muziek. Die was het vaak meer dan waard om ‘los’ gehoord te worden.

Toch gaf het geheel vaak ook een ‘zapperig’ gevoel, juist omdat de tussenspelen en tussendansen zo uit hun verband waren gehaald. De andere tachtig procent van de opera’s werd immers overgeslagen, en zo nu en dan – meestal tot besluit – kwam er een uiterst dramatische aria min of meer uit de lucht vallen. Hervé Niquets collega Marc Minkowski slaagde er onlangs beter in om een muzikale eenheid te creëren, toen hij voor zijn Musiciens du Louvre een ‘Symphonie Imaginaire’ samenstelde uit instrumentale operadelen van Rameau, die in werkelijkheid nooit een symfonie schreef. Maar bij Minkowski ontbrak de zang dan ook volledig.

Nu zijn er ook musicologen die menen dat ‘overkoepelende eenheid’ in muziek een overschat begrip is. Het gaat volgens hen vooral om de beleving van moment tot moment. In dat opzicht bracht Le Concert Spirituel zonder meer een fantastisch concert. Niquet dirigeerde fris en vaak geagiteerd, met ritmische figuren die op een prettige manier tegen overarticulatie aanschurkten. Hij hanteert bovendien een volstrekt eigen gebarentaal. Het ensemble, volledig één van geest, klonk transparant, al werkte de akoestiek van het Concertgebouw niet altijd mee.

Mezzosopraan d’Oustrac klonk vorstelijk: beheerst en ingetogen, vooral in de werken van Collasse en Lully. In de weelderigere muziek van Desmarest – voor velen een ontdekking dankzij de cd die Le Concert Spirituel in 2005 maakte – was al iets meer ruimte voor verontwaardiging. In Charpentiers Medée (1693) werd ze uiteindelijk toch de wraakzuchtige furie die haar rivale vergiftigt en haar emoties vrij laat lopen.