Anarchie en spot in films uit Swinging London

Swinging London. Smashing Films From the Sixties. T/m 16 mei. In: Filmhuis Den Haag; ’t Hoogt, Utrecht; Plaza Futura, Eindhoven; Filmmuseum, Amsterdam; Lantaren/Venster, Rotterdam; Focus, Arnhem.

„Are you a mod or a rocker”, vraagt een journalist aan Ringo Starr in de eerste Beatles-film A Hard Day’s Night (Richard Lester, 1964). Starr antwoordt: „I’m a mocker” – een spotter.

Het is niet alleen een typisch-Britse woordspeling, maar ook een rake typering van de films uit het programma Swinging London dat vanaf deze week in verschillende filmhuizen wordt vertoond. Want er wordt met veel heilige huisjes gespot in de films die tussen 1964 en 1970 werden gemaakt in Groot Brittannië.

De Swinging-Londonfilms die Filmhuis Den Haag naar Nederland haalt, vallen tussen de British New Wave die midden jaren zestig over zijn hoogtepunt heen was en de flauwe komedies (Carry On!) van de jaren zeventig. De New Wave zocht kitchen-sinkrealisme in vooral de grauwe industriestadjes van Noord-Engeland. De films uit de Swinging Sixties dartelen vrolijk rond in Londen, door het Amerikaanse Time Magazine in 1966 uitgeroepen tot ‘the place to be’.

Deze films zijn speels in hun vormgeving, grijpen verrassend vaak terug naar slapstick en gebruiken voornamelijk popmuziek op de geluidsband. Het meest typerend zijn de films van de uit Amerika afkomstige Richard Lester, verantwoordelijk voor A Hard Day’s Night en The Knack… and How to Get It (1965). Daarin worden beelden plotseling versneld of stilgezet en kan een mooi muurtje met vele deuren zomaar aanleiding zijn voor een slapstick-achtig nummer waarin de acteurs gymnastische oefeningen doen. Dat het verhaal dan wordt onderbroken is geen probleem, de vertellingen zijn sowieso rapsodisch. Anarchie, fantasie en wilde gebaren bepalen de vormgeving van deze swingende films, spot bepaalt de inhoud. Neem nu The Magic Christian (1969) waarin Peter Sellers als de puissant rijke Sir Guy Grand de langharige hippie Ringo Starr adopteert, waarna ze samen het Britse establishment op stelten zetten. Alle heilige Engelse huisjes moeten er aan geloven in deze film, die aantoont dat met geld werkelijk alles te koop is: van de hondenshow via de vossenjacht naar de jaarlijkse roeiwedstrijd tussen Oxford en Cambridge.

Volgens regisseur Peter Whitehead, die deze jaren vastlegde in documentaires als Tonite Let’s All Make Love in London (1968), waren de Swinging Sixties een mythe. In de terugblikkende documentaire over hem, In the Beginning Was the Image: Conversations With Peter Whitehead (Paul Cronin, 2006), verklaart hij dat het vooral een sombere tijd was: de Vietnamoorlog was in volle gang en het (Amerikaanse) kapitalisme werd meer en meer het dominante economische model.

Ondanks de speelse vrolijkheid zit er inderdaad een sombere ondertoon in deze films. In een van de beste films uit het programma, Morgan, a Suitable Case for Treatment (1966) bezoekt Morgans moeder jaarlijks met haar zoon het graf van Marx en beweent er de verloren klassenstrijd. Ze beschouwt haar zoon als een klassenverrader omdat hij trouwde met een vrouw uit de gegoede klasse die in een kast van een huis woont. Toch heeft Morgan nog een revolutionaire geest: een kamer van het huis heeft hij ingericht met beeltenissen van Marx en Lenin, hij heeft een hamer en sikkel op de muur geverfd en houdt tegen een passerende politieman een lange speech over de moord op Trotski.

Maar aan het kapitalisme en de entertainmentindustrie valt uiteindelijk niet te ontsnappen. De in bolhoed geklede zakenmensen trotseren maar al te graag de stinkende gier waar ze in moeten duiken om geld uit een ton te graaien in The Magic Christian. Achter deze spottende satire schuilt kalme berusting: de klassenstrijd is voorgoed verloren.