Alles komt op jezelf neer

Dak- en thuisloze jongeren praten met elkaar in een opvangcentrum in Amsterdam. In deze aflevering gaat het gesprek over hun plannen voor de toekomst.

„Ik bepaal mijn toekomst, maar ik kan ook weer niet alles in m’n eentje. Het gaat vooral om doorzettingsvermogen.” Judith (20 jaar, Nederlandse) heeft het gespreksonderwerp uitgekozen. Ze gaat straks haar haar laten invlechten door een vriendin en is in een vrolijke bui.

„Ja, je hebt mensen nodig die je steunen”, vindt Wiel (20 jaar, Nederlander). Het gesprek is nog maar net begonnen en hij zit nu al gulzig aan de koekjes. Judith vindt dat Wiel ook iets aan zijn haar moet doen. Wiel: „Soms mislukken plannen. Dat kan komen door de mensen met wie je omgaat. Of door gebrek aan ervaring. Maar het kan ook gewoon liggen aan het moment.”

Johnny (21 jaar, Dominicaan): „Of dingen mislukken omdat iemand jouw toekomst in zijn handen heeft. Je baas kan je bijvoorbeeld in z’n macht hebben. Je kan je carrière door hem verliezen.”

„Maar toch”, reageert Judith, „ligt het eraan wat jíj ermee doet. Alles komt uiteindelijk op jezelf neer.”

Ze bespreken hun toekomstplannen. Johnny zegt dat hij alles al straight heeft. „Ik moet nu stappen zetten en m’n opleiding afmaken. Dan ben ik print media specialist en kan ik voor mezelf beginnen. Ik werk er nu zó hard voor! Ik flip als dat niet lukt. Je kan me dan in een inrichting stoppen.” Hij kijkt ernstig. „Ik zit nog steeds niet lekker in m’n vel. Ben afhankelijk van mensen. Ik wil niet terug naar het straatleven. Dan breek ik.”

Judith: „Ik ben ook afhankelijk van anderen, maar ik doe tóch m’n ding. Toen ik hier kwam, had ik geen werk. Nu wel. En ik heb zelf m’n school geregeld. Als ik ga wachten tot anderen dingen voor me regelen, kan dat járen duren. Nu werk ik in een kinderdagverblijf. Ik houd van kinderen. En het is ook goed voor als ik later zelf kinderen krijg. Dan weet ik hoe ik ze moet verzorgen. Maar ik wil het liefst in een opvangcentrum als dít werken. Ik heb veel geleefd, veel meegemaakt. Ik kan de jongeren dus beter begrijpen.”

Wiel vindt het heel goed wat Judith zegt. „Mijn toekomst is in stralend zonlicht”, zegt hij gewichtig. „Ik krijg binnenkort de kans om mezelf in de muziekwereld te bewijzen.”

„En wat als dat niet lukt?”, vraagt Judith.

„Dan ga ik het onderwijs in”, antwoordt Wiel. „En met de liefde zal het ook wel goed gaan. Ik maak me daar geen zorgen over. Ik weet dat ik een goed mens ben.”

Johnny: „Ik wil niet trouwen. Dat papiertje boeit me voor geen reet. Het kan je gek maken. Stel dat je vrouw lastig doet. Dan wil je gewoon wég. Ik wil een vriendin en één kind. Dat is genoeg.”

Judith wil ook niet trouwen. „Als ik een man wil verlaten, moet ik hem de deur uit kunnen schoppen zonder moeite. Ik wil een Antilliaans-Surinaamse man. Ik val op die mix. Hij moet lief en betrouwbaar zijn. Geen jaloers type. En hij moet ook niet slaan.”

Johnny staat op. Hij heeft een afspraak.

Wiel: „Ik ben lang depressief geweest. Zelfmoordneigingen gehad. Vaak naar rijdende treinen gestaard. Maar ik weet dat ik talenten heb. Dat houdt me overeind. En mocht ik weer op straat belanden, dan zou ik gaan dealen.

„Je moet niet aan het straatleven denken. Iedereen in dit huis heeft wel gedacht dat het leven fucked up is. Je moet vooruit kijken. Niet achterom.”

Om redenen van privacy zijn de achternamen weggelaten.