Zadel

Met één oog dichtgeknepen stond Michael Boogerd achter zijn fiets te turen naar het zadel. De mecanicien had in de vroege ochtend het zweet al op zijn voorhoofd staan. Hij had er al een halve werkdag op zitten en wist zeker: het zadel stond recht. Maar Boogerd bleef maar turen.

Even verderop, op de Markt van Brugge, hadden bijna alle renners hun handtekening al gezet op het startformulier van de Ronde van Vlaanderen.

Boogerds ogen gingen nog eens van het puntje van zijn zadel naar de stuurpen. Was dit recht, of was dit krom? Van een afstandje keek ik mee. Door het menselijke oog bezien, kon een zadel eigenlijk niet rechter staan dan het zadel van Boogerd.

Je zou zeggen, laat de mecanicien vooraf de fiets prepareren en de renner daarna in de koers trappen. Maar Boogerd wilde niets aan het toeval overlaten. Had je hem een sleuteltje meegegeven, had hij vermoedelijk al rijdend de hele koers onder zijn zadel zitten wroeten.

De ploegleider maande Boogerd haast te maken. De renner sprong op zijn fiets, lachte zijn zorgen een paar seconden weg door met een bolleboos op de foto te gaan en vertrok naar de start op de Markt.

Met een huurauto scheurde ik door het Vlaamse land achter het peloton aan. Ik had een sticker op de voorruit waardoor ik op het parcours mocht rijden. Vlak voor de Paddestraat, een lange kasseienstrook, duwde ik mijn auto tussen de andere volgauto’s.

Het verhuurbedrijf had me een slome Jeep aangesmeerd, misschien al twintig jaar oud en op diesel. Op de Paddestraat schakelde ik van drie naar twee. Het leek wel of de oude bak alle stalen tanden in één keer naar buiten spuwde.

Ik was in koers.

Ik kon niet meer onder de motorkap gaan kijken of er überhaupt wel een motor in deze auto zat.

Zo zou Michael Boogerd nooit de weg op gaan. Als Boogerd op vakantie gaat, pakt hij zijn auto de avond van tevoren in, dat weet ik zeker. Misschien maakt hij wel een proefritje terwijl zijn vrouw al slaapt.

Op de Oude Kwaremont zag ik vanaf de kant hoe Boogerd soepel omhoog reed. Hij ging niet uit het zadel op de kasseienstrook. Hij keek strijdlustig uit de ogen.

De huurauto hoestte en kuchte terwijl ik over de smalle wegen reed. In de buurt bij Nokere stond een oude man op zijn erf op de koers te wachten. Hij hield een groot stuk karton boven zijn hoofd met handgeschreven ‘aardappelen’ erop. Zo simpel kon het leven zijn.

In een file van wilde volgers bleef ik een paar kilometer voor de finish steken. Op de radio hoorde ik Ballan winnen. Boogerd eindigde als negende.

’s Avonds zat ik in hetzelfde hotel als de Rabobankploeg. In zijn trainingspak liep Boogerd met een bord langs de schalen met eten. Hij verdween in een bijzaaltje om een half uur later terug te komen voor nog een extra bord eten.

‘Hoe was het onderweg?’, vroeg hij me.

‘Mooi’, antwoordde ik. ‘Jij reed lekker, hè? Als derde over de Muur, hoorde ik via de radio. Knap.’

‘Als derde over de Muur, da’s mooi voor op mijn palmares’, zei Boogerd lachend, die als geen ander wist dat het daar niet om ging in de Ronde van Vlaanderen.

Over het zadel spraken we met geen woord. Het stond de hele dag werkelijk kaarsrecht.