Ook bij oude EU-lidstaten mankeert van alles

Er waart een spook door Europa, een spook dat vanuit het oosten de stabiliteit van de EU zou bedreigen. Althans, dit is het scenario dat Wim Blockmans schetst aan de hand van de – inderdaad – zorgelijke situatie in Hongarije, Polen en Tsjechië (Opinie & Debat, 31 maart). De overgang naar democratie lijkt in veel nieuwe lidstaten in een moeilijke fase te zijn beland en de betrokken politici zouden de malaise waarin hun landen zich bevinden naar het Europese niveau kunnen tillen.

De vraag is óf dit virus zich wel van het oosten naar het westen verspreidt en óf de oude lidstaten wel een schoolvoorbeeld vormen van ‘politieke deskundigheid’ en ‘bekwaam politiek leiderschap’. Blockmans zou graag zien dat naast duidelijke economische richtlijnen voor het EU-lidmaatschap ook heldere (meetbare) voorwaarden gesteld worden met betrekking tot de gewenste politieke cultuur binnen de unie. Maar is dit een realistisch streven wanneer er alleen al onder de zes founding fathers van wat de EU is geworden landen zitten met een politieke cultuur die te wensen overlaat?

Het meest voor de hand liggende voorbeeld is uiteraard Italië waar Berlusconi tot voor kort zowel de politieke touwtjes in handen had als die van onder meer de media. Een dergelijke versmelting van politieke en zakelijke belangen zou in de nieuwe lidstaten ongetwijfeld zijn veroordeeld en de toetredingsprocedure hebben bemoeilijkt. Immers, een democratie met institutionele stabiliteit en onafhankelijk recht waarbinnen de rechten van minderheden worden beschermd (de Kopenhagencriteria), is moeilijk te verwezenlijken in een maatschappij waarbij één persoon macht heeft over zoveel verschillende facetten van de maatschappij. Bovendien waarschuwde de OVSE, toen Berlusconi de politieke macht kreeg, dat de persvrijheid niet gewaarborgd zou zijn, en die is volgens de EU juist een van de belangrijkste voorwaarden voor een stabiele democratie.

Ook opvallend is de situatie in Frankrijk waar in de aanloop naar de presidentiële verkiezingen van 2002 Chirac werd beschuldigd van misbruik van gemeenschapsgeld voor privédoeleinden gedurende zijn ambt als burgemeester van Parijs. Toen dit aan het licht kwam werd dit aangegrepen om de partij van zijn belangrijkste opponent Jospin, de PS, ervan te beschuldigen dat ze Chirac in een kwaad daglicht wilden plaatsen. De confrontaties die hierop volgden, lieten zien dat men ook in Frankrijk niet vies is van moddergooien op hoog politiek niveau. Daarnaast kwamen verschillende fraudeonderzoeken op een dood spoor terecht door mogelijke betrokkenheid van Chirac die tot het einde van zijn ambt presidentiële immuniteit geniet.

Opvallender is dat de manier waarop oude lidstaten Europese politiek bedrijven, niet altijd overeenkomt met de doelen die zij zichzelf opleggen. Denk bijvoorbeeld aan de forse begrotingstekorten van Ierland en Portugal in 2001 of van Duitsland en Frankrijk in 2003. Volgens het Stabiliteitspact uit 1997 zou een begrotingstekort van meer dan 3 procent van het bbp met een geldboete bestraft moeten worden, een afspraak waar Frankrijk en Duitsland nog geen zeven jaar later het nut niet meer van inzagen. Het stelsel van waarden dat de EU vertegenwoordigt lijkt zowel op landelijk als op Europees niveau moeilijk uit te dragen.

De kern van de problemen die postcommunistische landen op dit moment ervaren is anders dan die in West-Europese lidstaten. De veranderingen die de transitie van een communistisch systeem naar een liberale democratie met zich meebrengen, moeten niet onderschat worden. Echter, de West-Europese lidstaten zouden ook kritischer naar zichzelf mogen kijken om te zien hoe geloofwaardig zij als voorbeeld fungeren.

Volgens Blockmans zouden politieke polarisatie en het verlies aan vertrouwen in de politieke leiders en instellingen in de nieuwe lidstaten ruimte geven aan populistische en extreem nationalistische stromingen binnen de EU. Dit lijkt niet onwaarschijnlijk, alleen: kampt West-Europa niet ook met problemen die soortgelijke tendensen met zich mee brengen? In Frankrijk bereikte Le Pen in 2002 de tweede ronde van de presidentiële verkiezingen, België kent het Vlaams Belang en in Spanje waren onlangs betogingen tegen de sociaal-democratische regering. Het ‘gif’ dat de nieuwe lidstaten zouden verspreiden, oftewel een gepolariseerd klimaat, extreem nationalisme en verlies aan vertrouwen in de politiek, lijkt een probleem waar heel Europa mee te kampen heeft. De oorzaak van de problemen in Frankrijk is een andere dan die in Denemarken of van die in Polen. Net zoals de Roemeense politieke problemen een andere achtergrond hebben dan de Tsjechische.

Wil de EU een stabiele eenheid vormen die haar morele en politieke doeleinden verwezenlijkt, dan zullen alle lidstaten aan zichzelf en aan de EU moeten werken. De suggestie dat de nieuwe lidstaten gif verspreiden binnen de EU, werkt juist polarisatie in de hand tussen oude en nieuwe lidstaten en dat is in deze tijden allerminst wenselijk.

Wotienke Vermeer studeert Oost-Europese Studies aan de UvA en studeerde eerder aan de Palacky Universiteit Olomouc in Tsjechië.

Lees het artikel van Blockmans na via nrc.nl/opinie