Ieder z’n paasbroodgedachte

Paasbrood, kerstbrood. Wat is het verschil?

En waarom zouden we het eigenlijk alleen tijdens de Paasdagen eten?

Foto David Galjaard

Bij de koffie gretig gehapt in een plak paasbrood, heerlijk die zoete kleverige spijs met de ietsje zure rozijnen, pittige krenten en het zachte deeg. Zong in gedachten een loflied op het paasbrood, totdat iemand met verwachtingsvolle blik – alsof een aangenaam kort college te verwachten viel – vroeg: wat is eigenlijk het verschil met kerstbrood?

Eh ja. Wat is het verschil? Is er wel verschil? Waarom eten we eigenlijk paasbrood, of kerstbrood? Dat laatste kan me nu minder schelen want het is in de verste verte geen Kerstmis. Wat ís een paasbrood?

Op internet wordt er van alles over beweerd, zoals dat paasbrood ‘eigenlijk’ geen spijs hoort te hebben, maar waarom dat ‘eigenlijk’ zo zou zijn, staat nergens. Het paasbrood wordt in verband gebracht met de eraan voorafgaande vasten, en dat lijkt wel een zinvol verband. Het bevat allerlei lekkers dat in de vastentijd niet gegeten mag worden: ei, zoetigheid.

De literatuur – echte boeken hebben toch vaak veel meer te bieden dan internet, mompelde ik terwijl de vlokjes paaskruim op de oude boeken rolden – legt dit verband ook. In Nederlandsche volkskunde van dr. Jos Schrijnen worden veel rijmpjes aangehaald, die eieren eten en het einde van de vasten met elkaar in verband brengen. Zoals: „te Paschen zullen wij eieren eten,/ Soo is de Vaste al vergeten./ Kyrie eleison”, een komische mengeling van religie en vraatzucht. Bovendien wordt het paasgebak, net als het kerstgebak, in verband gebracht met vruchtbaarheidsrituelen.

Maar aan de andere kant: hoeveel ei gaat er in een paasbrood? ,,Geen”, antwoordt een bakker van de Amsterdamse bakkerij Simon Meijsen. Ze bakken daar het paasbrood rechtop en tegen elkaar aan en doen er meer vulling in dan met Kerst, maar anders dan met Kerst: geen sucade. Waarom dat zo is, zou de bakker niet weten. Hij denkt dat iedere bakker zo zijn eigen paasbroodgedachten heeft.

Verschillende andere bakkers antwoorden desgevraagd dat er wel ei in het deeg gaat, maar dat er geen verschil is tussen paas- en kerstbrood, behalve: „geen poedersuiker”. Poedersuiker staat voor sneeuw en met Pasen is er geen sneeuw, maar zijn er kuikentjes en narcissen.

In de oude kookboeken gezocht naar zoiets als paasgebak, maar De Verstandige Kock uit 1667 houdt zich niet met zulke dingen bezig, wat niet wil zeggen dat men toen geen paasbrood at, want het WNT (Woordenboek der Nederlandse Taal) geeft een vindplaats voor ‘Paesch-brooden’ uit 1652. Gelukkig maar, het zou niet de eerste zogenaamde oude traditie zijn die ergens in de negentiende eeuw is uitgevonden. terwijl tradities veel leuker zijn als ze wél oud zijn. „Eertijds werden paaschbroden dikwijls ten geschenke gezonden”, zegt het WNT. Ook leuk, iemand een enorm paasbrood met een strik erom sturen, of horen paasbroden niet zoals kerststollen tot complete ligbedden uit te groeien? Dat is weer nergens te vinden.

In het negentiende-eeuwse kookboek Betje, de goedkope keukenmeid wordt geen paasbroodrecept gegeven, maar wel eentje voor paaskoekjes, die dan weer uit Leipzig afkomstig heten te zijn. Het zijn koeken van eierdeeg waarop een dikke room gesmeerd wordt met daarin suiker, amandelen, rozijnen, krenten en eieren – ze klinken heerlijk! Zouden we die koeken ook gewoon ná de Pasen mogen eten? Waarom niet, hè, dat merken ze in Leipzig toch niet. We doen het!

En wat het paasbrood betreft: het is van oudsher brood met krenten of rozijnen dat na de vasten gegeten werd. Punt.