Gelijke monniken? Kappen nou!

De verzorgingsstaat en het kabinet negeren het feit dat we verschillend zijn.

Regel op regel moet verhullen dat het gelijkheidsideaal niet haalbaar is.

Het gelijkheidsdenken heeft ons stevig in de greep. De verzorgingsstaat wil gelijk maken wat verschillend is. En het kabinet laat niet na te benadrukken wat ons bindt. In die nadruk op ‘samen’ verbinden zich christen-democratisch gemeenschapsdenken en de sociaal-democratische voorkeur voor gelijkheid. Het beleid moet verheffen én nivelleren. Rechtvaardigheid betekent dat we iedereen gelijke startposities en het liefst ook gelijke uitkomsten willen garanderen.

Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid zijn nog altijd gekoesterde waarden. Waar ik recht op heb in Amsterdam moet ik ook in Maastricht kunnen krijgen. En als ik het in Amsterdam niet ontvangen kan, misgun ik het de Maastrichtenaar. Afgunst ligt vaak ten grondslag aan onze solidariteit. Verschillen zijn onaanvaardbaar, zeker in het publieke domein.

Door het gelijkheidsstreven is de regeldichtheid benauwend en zijn de systemen van controle en toezicht duizelingwekkend. In een ingewikkelde en gevarieerde samenleving stuit elke regel op de tragiek van de onbedoelde gevolgen. Niet alles is te voorzien. Dus maken we nieuwe regels. De tragiek produceert een spiraal.

Om de illusie van regelnaleving in stand te houden, richten we controletorens in. Daarin schrijven we de ene helft van het jaar op wat we gaan doen en rapporteren we de andere helft van het jaar waarom dat niet is gelukt. Met vuistdikke rapportages ontkennen we ons besef dat we out of control zijn. Zou een antropoloog zulk ritueel gedrag bij een vreemde stam waarnemen, dan zou hij weten dat deze in een diepe culturele crisis verkeert.

In zo’n culturele crisis verkeert de verzorgingsstaat ook. De arrangementen die nodig zijn om gelijkheid collectief te realiseren, zijn abstract en anoniem geworden. Wie ziet nog enig verband tussen zijn belastingafdracht en de nobele waarde van solidariteit? Wat betekent rechtsgelijkheid als we allemaal verschillend en dus ongelijk zijn? De moslima die haar recht op anders zijn (mannelijke collega’s geen hand willen geven) wil afdwingen, moet, ironisch genoeg, naar de Commissie Gelijke Behandeling.

De staat bedenkt wat gezondheid is, wat goed opvoeden is, wat een rechtvaardige gemeenschap is. De staat spreekt over rechten en plichten van burgerschap. En waar de burger eigen verantwoordelijkheid krijgt, moet hij daarmee wel doen wat de staat bevalt. Normalisering en disciplinering gaan hand in hand, zoals blijkt uit de volgende drie voorbeelden.

1 Gelijk taalniveau. Om taalachterstanden te bestrijden komt er een taaltest voor driejarigen. Zo bevorderen we gelijke startposities. De gemiddelde NRC-lezer zal het zwijgen van zijn peuter met een ‘groeistuip’ weten te verklaren. En als dat niet helpt, biedt Spock (auteur van bestsellers over opvoeding, red.) wel uitkomst. Wat echter als de stevig getatoeëerde en gepiercte vader of de ongeletterde, allochtone moeder het zwijgen van Johnny of Mohammed niet weet te verklaren? Hoe vaak kan vrijwillige opvoedingsondersteuning geweigerd worden?

2 Gelijk onderwijs. Ouders richten zelf scholen op en zijn bereid deze zelf te betalen. Dat kan natuurlijk niet, zegt de wereld van politiek en toezicht. De maat wordt genomen op basis van een kwaliteitsbegrip dat kennelijk vaststaat en eenduidig is. Maar van wie is de school eigenlijk? En wie definieert wat goed onderwijs is? De grote verworvenheid van de onderwijsvrijheid wordt ingeperkt in plaats van uitgebreid.

3 Gelijke gezondheidszorg. De stelselherziening heeft ertoe geleid dat allerlei gevarieerde polissen zijn ontstaan. Verenigingen sluiten polissen af voor hun leden, bijvoorbeeld patiënten met chronische aandoeningen. Een bijzondere vorm van gedifferentieerde solidariteit. In plaats van dat toe te juichen, wordt de zo gerealiseerde kortingen aan een zuinig maximum gebonden. In plaats van de variëteit te bevorderen, wil de politiek het basispakket uitbreiden.

Als we minder regelzucht, minder verstikkende controles en minder bureaucratie willen, zullen we moeten ontregelen. De samenleving is gevarieerd en vitaal genoeg om zichzelf te sturen en te organiseren. Sterker, uit de biologie weten we dat variëteit voorwaarde is voor vitaliteit. Waarom erkennen we niet dat verschil en ongelijkheid niet alleen onvermijdelijk zijn, maar ook mooi en aangenaam? We kunnen ons dan concentreren op de zwakke belangen die we echt willen beschermen, of beter nog, in staat willen stellen zichzelf te beschermen.

Verschil en ongelijkheid zijn bovendien democratische waarden. Tegenover een machtige staat moet een krachtige burger staan. In al zijn verschil en ongelijkheid moet hij de totalitaire verleiding van gelijkheid kunnen weerstaan. In de democratie gaat het immers niet om de vorming van een meerderheid, maar juist om de bescherming van minderheden. En op enig moment zijn we dat allemaal: een minderheid.

Paul Frissen is decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur in Den Haag, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Van zijn hand verscheen onlangs ‘De Staat van Verschil. Een Kritiek van de Gelijkheid’ (VanGennep, Amsterdam).

Beluister een recent interview met Frissen op ochtenden.nl