Dominee

Nu volgt het type conversatie dat bij het klimmen (‘klemmen’ mag ook) der jaren steeds vaker kan worden opgetekend. Op Eerste Paasdag zagen wij in Star Ferry, het zo fraai gelegen restaurant onder het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam, een ons vaag bekend voorkomende Nederlander lopen.

„Is dat niet die dominee van de VPRO?” vroeg mijn vrouw.

Ik keek nog eens goed, maar kon alleen zijn achterhoofd zien dat door het onderstel helaas de verkeerde kant werd opgestuurd: het restaurant uit.

„Dominee van de VPRO? Spelberg? Die moet al heel lang dood zijn. Ik zal ’m trouwens straks in de hemel niet herkennen.”

„Nee, van de EO bedoel ik.”

„De laatste keer dat wij naar de EO keken, was minstens tien jaar geleden. Toen had je Henk Binnendijk nog, maar die was geeneens dominee.”

„Sipke van der Land van de NCRV misschien?”

„Je hebt wel een voorkeur voor bejaarde dominees.”

Ze zweeg ontmoedigd. Het heeft ook iets van een marteling, die namen die net niet de kracht hebben om over de drempel van je geheugen te kruipen. Ze willen je graag tegemoetkomen, maar er is een onzichtbare hand die hen tegenhoudt. We keken naar het IJ, dat dromend in het zonlicht ons besef van vergetelheid nog versterkte – daar kon geen enkele dominee tegenop.

Toch riep ze opeens opgewonden: „De VARA!”

„Hoezo de VARA?”

„Dáár was hij dominee.”

„Een dominee bij de VARA?”

Geert Wilders zou nu zeggen: „Het moet niet gekker worden.” Maar ze knikte gedecideerd en zei: „Hij zat daar in het bestuur, of zoiets.”

Voor het eerst voelde ik vaste grond onder onze voeten. „Verdomd, jij bedoelt Van den Heuvel, die een poosje voorzitter is geweest.”

„Ja! Ja! Zijn vriendin was, je weet wel, die omroepster. Ze had iets met een buitenlandse voetbaltrainer.”

„Ernst Happel?”

„Nee... die Engelsman.”

„Hughes! Barry Hughes! Maar dan bedoel je Elles Berger.”

„Ja!”

„Maar die was niet met dominee Van den Heuvel. Dat mocht hij willen! Van den Heuvel was met die nieuwslezeres van het Journaal.”

„Pia Dijkstra?”

„Welnee, een generatie eerder. Kom, Maartje... Maartje...”

„Van Weegen?”

„Ach nee, het was Noortje. Noortje... Oosting?”

„Oostveen! Van Oostveen!’’

Haar stem schalde van triomf. Maar ik vond het daar nog iets te vroeg voor, want we moesten de voornaam van dominee Van den Heuvel nog invullen. Je kon een vooraanstaand Nederlander toch niet voornaamloos in de geschiedenis bijzetten? Was het Martin? Nee, dat was die Ruslandkenner. John? Die deed in boeven. André? Acteur. We kwamen er niet uit.

„Zoek het thuis op”, zei mijn vrouw.

Maar dat is mijn eer te na. Ik moet er zélf opkomen – dus ook lezerssuggesties zijn nu eens níét welkom.