De kubus werd zijn handelsmerk

Sol LeWitt was een van de grondleggers van de conceptuele kunst. Vanaf de jaren zestig maakte hij naam met ruimtevullende installaties.

Hij was een van de belangrijkste naoorlogse Amerikaanse kunstenaars, maar sterallures had Sol LeWitt beslist niet. Hij praatte niet graag over zijn werk, gaf zelden interviews, weigerde prijzen en was cameraschuw. Het werk, daar draaide het om. Zijn kunst moest voor zichzelf spreken. Zijn persoonlijkheid deed er niet toe, vond hij.

Sol LeWitt, die zondag in New York op 78-jarige leeftijd aan kanker overleed, maakte vanaf de jaren zestig naam met ruimtevullende installaties gemaakt van geometrische vormen. De kubus werd al snel zijn handelsmerk. Daarmee maakte hij structuren, meestal stralend wit geschilderd, die aangepast konden worden aan het formaat van de tentoonstellingsruimte. Halverwege de jaren zestig ging LeWitt experimenteren met muurschilderingen, waarvan hij er zo’n 1200 zou maken – de bekendste zijn te zien in het Haags Gemeentemuseum. Ook foto’s, tekeningen en kunstenaarsboeken horen tot z’n oeuvre.

LeWitt werd 9 september 1928 geboren in Hartford als zoon van Russische immigranten. Hij studeerde kunstgeschiedenis aan de Syracuse University en hield zich na zijn afstuderen voornamelijk bezig met natekenen van reproducties van meesters als Piero della Francesca, Botticelli, Rubens, Goya en Ingres. In 1953 verhuisde LeWitt naar New York, waar hij allerlei baantjes aannam, onder meer grafisch ontwerper op het bureau van architect I.M. Pei. Hoewel hij was ingehuurd voor de bewegwijzering van een winkelcentrum, leerde hij daar „meer ruimtelijk te denken”, vertelde hij in 1992 in deze krant.

Doorslaggevend was zijn aanstelling bij de boekwinkel van het Museum of Modern Art, waar hij gelijkgestemde kunstenaars als Dan Flavin, Robert Ryman en Robert Mangold ontmoette. Ook ontdekte hij het Russisch constructivisme en de fotoreeksen van Eadweard Muybridge.

Vervolg SOL LEWITT: pagina 9

SOL LEWITT

Conceptueel kunstenaar Sol LeWitt (1928-2007)

Vervolg van pagina 1

Sol LeWitt had een bijzondere band met Nederland

LeWitt besloot zijn kunst tot het absolute minimum te beperken. „Om vooruit te komen moet je teruggaan tot de essentie”, meende hij. En dus maakte hij sindsdien objecten die waren opgebouwd uit kubussen en vierkanten.

Als theoreticus is Sol LeWitt van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de conceptuele kunst. In 1967 schreef hij in het kunsttijdschrift Artforum de nog altijd veel geciteerde Paragraphs on Conceptual Art. LeWitt geloofde dat het idee voor het kunstwerk belangrijker was dan de uitvoering ervan. „In de conceptuele kunst”, schreef hij, „is het concept het belangrijkste aspect van het werk. Alle plannen en beslissingen worden vooraf gemaakt, de uitvoering is slechts een oppervlakkige aangelegenheid. Het idee is de machine die de kunst maakt.” De kunstenaar vergeleek hij met een architect: „Die hoeft ook zijn eigen bakstenen niet te metselen, net zomin als componisten hun eigen muziek uit hoeven te voeren.”

Met zijn abstracte muurschilderingen bracht LeWitt zijn radicale ideeën in de praktijk. Deze kunstwerken waren vaak tijdelijk en speciaal gemaakt voor een locatie of expositie. De uitvoering werd gedaan door assistenten die LeWitt vond op de plaatselijke kunstacademie. Tientallen jonge kunstenaars hebben van hem het vak geleerd, onder wie ook enkele Nederlanders. Zo werkte Fransje Killaars in de jaren tachtig als assistent van de Amerikaanse meester, die toen lange tijd in het Italiaanse Spoleto verbleef. Ook Asmir Ademagic en Wim Starkenburg hebben verscheidene muurschilderingen van LeWitt uitgevoerd, onder meer bij de ABN Amro in Amsterdam, bij Aegon in Leeuwarden en in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

Dat het werk van LeWitt zo goed in Nederland is vertegenwoordigd, is vooral te danken aan Enno Develing (1933-1999), de medewerker van het Haags Gemeentemuseum die al in 1968 een invloedrijke tentoonstelling over Minimal Art samenstelde. De minimalistische kunst van LeWitt, Carl Andre, Donald Judd en Robert Morris was toen nog nooit buiten Amerika vertoond. In 1970 volgde een solo van LeWitt in het Gemeentemuseum.

Sinds die tijd is er een bijzondere relatie opgebloeid tussen de Amerikaanse kunstenaar en het Haagse museum. Het kocht diverse van zijn beelden en tekeningen, en LeWitt doneerde meerdere werken – waaronder de aan Develing opgedragen bakstenen sculptuur Roos en Toren (2002), die nog altijd op de binnenplaats te zien is. In 1982 maakte LeWitt een optisch zinderende reeks schilderingen in het trapportaal van het Haagse museum, opgebouwd uit zwart-witte banen. Dit werk, getiteld Wall Drawing #373, werd in 1998 overgeschilderd bij de renovatie van het Berlage-gebouw. LeWitt was not amused, maar trok weer bij toen het werk twee jaar later in ere hersteld werd. In 2002 liet de kunstenaar op de begane grond vier nieuwe muurschilderingen uitvoeren, ditmaal in knallende kleuren. Ze domineren nog altijd de centrale hal.

Ook het Stedelijk Museum en het Kröller-Müller Museum bezitten werk van LeWitt. Maar een van zijn meest baanbrekende werken, Buried Cube Containing an Object of Importance but Little Value uit 1968, bevindt zich in de collectie van Martin Visser. Het kunstwerk bestond uit een metalen kubus die door de kunstenaar in Vissers tuin begraven werd. Wat overbleef was een serie foto’s van de handeling. Het was LeWitts manier om afscheid te nemen van de minimalistische kunst, die in zijn ogen veel te succesvol was geworden.

Hoewel hij in kunsthistorische werken steevast in het hoofdstuk Minimal Art genoemd wordt, zag LeWitt zichzelf het liefst als een conceptueel kunstenaar. Hij keerde zich al vroeg tegen de commercialisering van de kunst en citeerde graag Gertrude Steins woorden: „Een kunstwerk is van onschatbare waarde of waardeloos”. LeWitt droomde van een niet-hiërarchische samenleving, met betaalbare kunst voor iedereen. Vandaar dat hij zijn werk graag in boekvorm publiceerde – een voor iedereen toegankelijk medium.

Twee jaar geleden organiseerde het Haags Gemeentemuseum nog een overzicht van de foto’s die LeWitt in 1980 maakte onder de noemer Autobiography. Het werk bestond uit duizend kiekjes, van Florentijnse kerken, zonsondergangen en New Yorkse graffiti, maar vooral ook van zijn alledaagse omgeving: zijn appartement in Manhattan. Kijkend naar die foto’s kreeg je het idee eindelijk iets te weten te komen van de figuur achter de koele, witte sculpturen. Typerend was wel dat Sol LeWitt op slechts één foto zelf te zien was: als een onherkenbare wazige vlek.