Zonder titel

Precies tien jaar geleden werd het Wilde Wonen in Nederland geïntroduceerd. Er is niet veel van terechtgekomen. De doorbraak kan alsnog komen. Almere laat de komende 25 jaar de helft van de nieuwe woningen door particulieren bouwen. Carel Weeber, geestelijk vader van het Wilde Wonen, blikt terug. „Op Curaçao heb ik in een half jaar mijn huis laten bouwen.” Adri Duivesteijn, wethouder wonen in Almere, blikt vooruit. „Het Wilde Wonen is een herstel van de band tussen bestuur en burger.”

Nauwelijks een jaar is Adri Duivesteijn nu wethouder van Almere. Wat hem niet lukte in de acht jaar dat hij Tweede Kamerlid voor de PvdA was, heeft hij nu wel voor elkaar gekregen, al is het dan niet op landelijke schaal: het woningbouwbeleid in Almere gaat radicaal veranderen. Het bouwen van woningen in zogeheten particulier opdrachtgeverschap wordt het uitgangspunt. Onder de naam ikbouwmijnhuisinAlmere geeft de polderstad, die vorig jaar haar dertigjarig bestaan vierde, jaarlijks ongeveer duizend kavels uit waarop kopers hun eigen huis kunnen bouwen (zie inzet).

Op de vraag waarom Adri Duivesteijn zich nu al meer dan tien jaar sterk maakt voor het Wilde Wonen, antwoordt de Almeerse wethouder van onder meer ruimtelijke ordening en wonen in zijn werkkamer in het door Cees Dam ontworpen stadhuis van Almere. „In 1994, toen ik directeur van het Nederlands Architectuurinstituut was, werden mij de ogen geopend toen ik mijn afscheidstentoonstelling ‘De verborgen opgave’ samenstelde.”

Duivesteijn was daarvoor naar Lima geweest. „Daar zag ik dat je de woningbouw heel anders kunt organiseren dan in Nederland. In Lima bouwen ook de armste bewoners hun eigen huizen met een mooie woonwijk als resultaat. In Nederland is de woningbouw in handen van instituties. In Lima zag ik dat die laag van tussenpersonen helemaal niet nodig is. Daar koop je een stuk grond en daar bouw je je eigen woning op. Waarom zou dat niet in Nederland kunnen? Voor zoiets simpels als een woning heb je toch geen projectontwikkelaar nodig? Laten projectontwikkelaars zich bezighouden met complexe bouwopgaven zoals winkelcentra, woonzorgcomplexen en appartementencomplexen, maar niet met grondgebonden woningen.”

Hoe komt het dat uitgerekend een sociaal-democraat als Duivesteijn zich opwerpt als de kampioen van het ultraliberale Wilde Wonen?

„Het Wilde Wonen betekent een herstel van de band tussen het bestuur en de burgers. De laag van tussenpersonen en instanties voor grondgebonden woningen moet worden uitgeschakeld, zodat het weer de burgers zijn die de stad bouwen. Net zoals in de zo bewonderde Amsterdamse grachtengordel waar kopers van de kavels hun eigen huis bouwden. Zeventig procent van de bouwsom ging toen naar het materiaal, dertig naar arbeid. Dat kun je zien aan de zorgvuldig gebouwde woningen. Nu is die verhouding omgekeerd. Ook dat is te zien, aan de schraalheid van de Vinexwijken. Bij het Wilde Wonen kan al het geld dat alle tussenpersonen nu in de woningbouw verdienen, weer worden besteed aan de woning zelf.

„Maar ik ben geen voorstander van het anarchistische Wilde Wonen van Carel Weeber. Hier in Almere kunnen burgers hun eigen huis bouwen binnen een door de gemeente bepaald stedenbouwkundig plan. De gemeente voert de regie en blijft verantwoordelijk voor de publieke ruimte, voor de straten en de pleinen. Zo’n ordening is sociaal-democratisch. En binnen die publieke ordening krijgt de koper maximale vrijheid om zijn huis te bouwen. Dat betekent een vergroting van het zelfbeschikkingsrecht, een emancipatie van de burger en ook dit is van oudsher een sociaal-democratisch streven.”

Toen het Wilde Wonen werd gelanceerd, spraken veel critici de vrees uit dat dit zou leiden tot chaotische Belgische toestanden. Maar in de welstandsvrije Wilde-Wonen-wijkjes overheersen juist de catalogushuizen in jarendertigstijl. Wordt het Wilde Wonen ook in Almere niet onuitsprekelijk braaf?

„De truttige catalogushuizen vind ik nog altijd te prefereren boven de schraalheid van de Vinexwijken. Kijk eens hier uit het raam. Daar zie je een wat oudere wijk met keurige rijtjeswoningen. Vreselijk vind ik die uniformiteit. In de nieuwe Vinexwijken lijkt de diversiteit groter, maar dat is slechts schijn. Daar gaan achter de eindeloos gevarieerde gevels eendere woningen schuil. Ik vind het veel interessanter om te zien wat mensen zelf bouwen. Een enkelvoudige opdrachtgever bouwt altijd een eigen woning die afwijkt van de andere, ook al is sprake van eenzelfde stijl. Deze eigen woningen hoeven ook niet allemaal briljant te zijn. Als er af en toe eens een heel goede tussen zit, is dat genoeg. Wel onderzoeken we in Almere hoe we de architectonische kwaliteit van het Wilde Wonen kunnen bevorderen. We bekijken of het mogelijk is om een korting te geven op de prijs van de bouwgrond als een koper van een kavel in zee gaat met een architect en niet met een catalogushuisbouwer.”

Een ander bezwaar tegen het Wilde Wonen is dat al die vrijstaande huizen ruimte vreten en daarom ongewenst zijn in het volle Nederland.

„Als er ergens ruimte is in Nederland voor het particulier opdrachtgeverschap, dan is het wel hier in Almere, in de leegte van de laatste IJsselmeerpolder. Bovendien is het probleem in Nederland niet zozeer dat het vol is, maar dat het verrommelt. Maar verrommeling is iets anders dan verstedelijking en sprawl. Verrommeling heeft te maken met slordigheid en met een gebrek aan planning. De plannen voor eigenbouw in Almere komen neer op goed gepland Wild Wonen, op een organische, langzame stedenbouw.”

Een van de redenen waarom het Wilde Wonen in Nederland nog niet van de grond is gekomen is dat het voor alle betrokkenen ingewikkeld is. Voor gemeentes is het een heel gedoe: voor elke kavel moet een vergunning en alles wat daar bij hoort, worden gegeven.

„Mijn grootste zorg bij ikbouwmijnhuisinalmere is dan ook of wij als gemeente in staat zullen zijn de bouwstroom van zoveel individuele opdrachtgevers goed te regelen. Dat vraagt een grote mentale omslag. Gemeenten en andere betrokkenen bij de woningbouw in Nederland zijn verslaafd aan de grootschalige institutionele woningbouw. Het is voor een gemeente veel makkelijker om woningquota te halen door één projectontwikkelaar 400 woningen te laten bouwen dan 400 burgers hun eigen woning te laten bouwen. Maar ik ben ervan overtuigd dat het particulier opdrachtgeverschap veel betere steden oplevert. Een van de problemen van veel naoorlogse buitenwijken in Nederland, en ook van de Vinexwijken, is dat ze in korte tijd worden gebouwd en dan helemaal af en vrijwel onveranderbaar zijn. Het is die aanpak die maakt dat er nu zoveel gesloopt wordt in de woonwijken uit de jaren vijftig en zestig. De wijken met eigen gebouwde woningen zullen niet in een of twee jaar zijn voltooid. Dat gaat langer duren. Niet alleen zullen niet alle kavels onmiddellijk worden verkocht, maar ook zullen kaveleigenaren bijvoorbeeld besluiten om even te wachten met bouwen. Precies zoals het ging met de Amsterdamse grachtengordel. Het heeft vele jaren geduurd voordat de kavels van de grachtengordel waren gevuld en vervolgens onderging het gebied een voortdurende transformatie waardoor de kwaliteit tot aan de dag van vandaag overeind is gebleven. Dat is pas duurzaamheid!”

Waarom lijkt het Wilde Wonen nu in Almere wel te gaan lukken, terwijl het in Nederland tot nu toe nog nauwelijks van de grond is gekomen?

„Cruciaal is dat Almere een van de weinige Nederlandse gemeenten is die de bouwgrond nog in handen hebben. Dat is heel bijzonder: meestal hebben projectontwikkelaars zich al meester gemaakt van de bouwgrond in de nog te bouwen woonwijken. Dit was ook de reden waarom ik aan het bestuur in Almere wilde deelnemen. Hier is het mogelijk om burgers hun eigen huis te laten bouwen.”

Hoe kunnen al die gemeentes die de bouwgrond uit handen hebben gegeven, het particulier opdrachtgeverschap in de woningbouw bevorderen?

„In Nederland bestaat het recht op zelfrealisatie, dat wil zeggen dat de eigenaar van een stuk grond zelf mag bouwen als dat is bestemd voor bijvoorbeeld woningbouw. Daarom was het voor projectontwikkelaars zo belangrijk om de bouwgrond voor de Vinexwijken in handen te krijgen. Ik vind dat de nationale politiek het grondbeleid moet veranderen: de eigendom van de grond moet worden losgekoppeld van de bebouwing ervan. Maar afgezien van de opheffing van het recht op zelfrealisatie kunnen gemeentes nu al veel meer doen dan ze denken om het particulier opdrachtgeverschap van de grond te krijgen. Je kunt ook via bestemmingsplannen en de grondexploitatiewet het beginsel van organische stedenbouw vastleggen. Maar dan moeten ze het natuurlijk wel willen. Ik vind dat we ons bij elke bouwlocatie moeten afvragen wat we willen: de confectie van de institutionele woningbouw of het maatkostuum van het particuliere en collectieve opdrachtgeverschap?”